Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
11-4597 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Bij het Uwv bestond, gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, voldoende inzicht in de aard en belasting van appellantes eigen werk. Het bestreden besluit is voldoende medisch onderbouwd. Appellante heeft geen nadere medische stukken overgelegd die haar standpunt, dat zij per de datum in geding vanwege haar klachten en bijbehorende beperkingen niet in staat was haar arbeid te verrichten, onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4597 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 juni 2011, 11/1112 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 25 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012. Appellante is -met voorafgaand bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 10 februari 2011 heeft het Uwv appellantes uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per 14 februari 2011 beëindigd omdat zij door de verzekeringsarts P.J. Blok niet meer ongeschikt werd bevonden voor haar arbeid. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 22 maart 2011 (bestreden besluit) met verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 18 maart 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanknopingspunten zijn om te oordelen dat de medische situatie van appellante op de datum in geding, 14 februari 2011, niet juist is vastgesteld.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte is aangenomen dat zij met ingang van 14 februari 2011 niet in staat is haar arbeid te verrichten. De psychische klachten waarmee zij te kampen heeft, zijn (nog steeds) van dien aard dat zij in staat is op adequate wijze deel te nemen aan het maatschappelijk leven en aan het arbeidsproces.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ’zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellante laatstelijk werkzaam is geweest als schoonmaakster is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad bestond bij het Uwv, gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 maart 2011, voldoende inzicht in de aard en belasting van dat werk.

4.2. Hetgeen in hoger beroep door appellante naar voren is gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan de rechtbank betreffende de medische onderbouwing van het bestreden besluit. De Raad betrekt daarbij dat zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts appellante hebben onderzocht en daarbij onder meer een oriënterend psychisch onderzoek hebben verricht. Voorts blijkt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts dat hij informatie van de behandelend psycholoog bij zijn overwegingen heeft betrokken. De bezwaarverzekeringsarts is, mede gelet op deze informatie, van mening dat appellante rekening houdende met haar psychische klachten in staat moet worden geacht haar eigen werk te verrichten. Appellante heeft geen nadere medische stukken overgelegd die haar standpunt, dat zij per de datum in geding vanwege haar klachten en bijbehorende beperkingen niet in staat was haar arbeid te verrichten, onderbouwen.

4.3. De Raad ziet, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding voor het instellen van een nader medisch onderzoek.

4.4. Hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L. van Eijndthoven.

GdJ