Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
11-4640 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Ten tijde van het bestreden besluit was met de in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige weergegeven omschrijving van de werkzaamheden voldoende informatie over de aard en zwaarte van het “eigen werk” van (hulp)kok in het dossier aanwezig was. Het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest. Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4640 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juli 2011, 11/4404 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 25 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.B. Teunis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Teunis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als (hulp)kok op basis van een tijdelijk contract voor 36 uur per week tot 1 oktober 2010. Op 4 augustus 2010 heeft appellant zich ziek gemeld in verband met recidiverende lage rugklachten. In verband hiermee is appellant op 31 januari 2011 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, die appellant per 1 februari 2011 geschikt heeft geacht voor zijn maatgevende arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv appellant bij besluit van 31 januari 2011 meegedeeld dat hij met ingang van 1 februari 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in diens rapportage van 4 april 2011, - bij besluit van 7 april 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gezien het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en is van oordeel dat uit de onderzoeken voldoende gegevens naar voren zijn gekomen voor de verzekeringsartsen van het Uwv om tot een afgewogen oordeel te komen omtrent de voor appellant geldende beperkingen. Het onderzoek en de hieraan gekoppelde conclusies met betrekking tot de geschiktheid voor het eigen werk waren naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegespitst op appellant. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat appellant zijn werkzaamheden als (hulp)kok aangepast heeft verricht, waardoor de belasting in het eigen werk beperkt was.

3. In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt dat hij niet in staat is zijn werkzaamheden als (hulp)kok te verrichten. De verzekeringsarts heeft volgens appellant zijn klachten niet serieus genomen. De verzekeringsarts heeft zijn standpunt dat sprake is van degeneratieve afwijkingen behorend bij de leeftijd van appellant niet wetenschappelijk onderbouwd. Appellant is 41 jaar, draagt een orthopedisch korset, krijgt pijnstillende injecties, heeft van de gemeente een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel en gebruikt AWBZ zorg- en verpleegartikelen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In casu betreft dit de werkzaamheden als (hulp)kok voor 36 uur per week.

4.3. De Raad overweegt in dit verband dat ten tijde van het bestreden besluit met de in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 maart 2011 weergegeven omschrijving van de werkzaamheden voldoende informatie over de aard en zwaarte van het werk van (hulp)kok in het dossier aanwezig was. Appellant heeft aangegeven akkoord te gaan met deze werkomschrijving. Het Uwv heeft dan ook van deze gegevens uit mogen gaan.

4.4. De Raad ziet voorts in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest. Beide artsen hebben appellant gezien en lichamelijk onderzocht. Tevens is rekening gehouden met de informatie van revalidatiearts R.J. Boelen van 21 september 2009 en van de huisarts van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft hieruit afgeleid dat er ondanks specialistisch onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden die de klachten van appellant kunnen verklaren. Er zijn geen ernstige afwijkingen gevonden, er is geen sprake van een HNP en de diagnose “symptomatische discopathie L4-L5” is gesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft er daarnaast op gewezen dat uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 maart 2011 blijkt dat appellant bij aanvang van de werkzaamheden al rugklachten had en dat appellant steeds aangepaste werkzaamheden heeft verricht; bij sjouw- en opruimwerkzaamheden werd hij gezien zijn rugproblemen niet ingezet. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis hiervan de bevindingen van de primaire verzekeringsarts bevestigd en appellant geschikt geacht voor zijn eigen werk. De Raad heeft in de medische gegevens in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

4.5. Het in hoger beroep door appellant overgelegde medisch advies van de bedrijfsarts van 6 oktober 2011 bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag van 24 oktober 2011 tot ontheffing van de arbeidsverplichting tot en met 2 oktober 2013 werpt geen ander licht op de zaak. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 20 februari 2012 dat uit dit medisch advies niet blijkt dat de bedrijfsarts appellant lichamelijk heeft onderzocht en dat de conclusie van de bedrijfsarts onduidelijk is en niet medisch onderbouwd.

Ook de in hoger beroep overgelegde informatie van revalidatiearts E.H.T. Los-van Mechelen van 15 juli 2011 brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Uit deze informatie valt af te leiden dat appellant op 14 juli 2011 is gezien op het spreekuur en dat er bij hem sprake is van chronische rugpijn waarbij bewegingsangst en het pijncontingente bewegen een onderhoudende factor lijkt te zijn. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 8 maart 2012 dat deze informatie ver na datum in geding ligt en niets nieuws bevat ten aanzien van de rugklachten en de eerder gestelde diagnose.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L. van Eijndthoven.

TM