Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
11-6089 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig medisch onderzoek en dat er geen aanknopingspunten zijn dat het medisch oordeel van het Uwv voor onjuist moet worden gehouden, wordt onderschreven. Het rapport van de psycholoog dat is opgesteld in het kader van de herindicatie Wsw kan niet leiden tot de conclusie dat het Uwv de medische beperkingen van appellant heeft onderschat. In het door appellant in beroep overgelegde rapport van MEE Friesland zijn evenmin aanknopingspunten te vinden voor dit oordeel. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd met betrekking tot zijn medische situatie is evenmin grond gelegen om het medisch oordeel van het Uwv voor onjuist te houden. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies niet passend zouden zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6089 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 september 2011, 10/917 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 25 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012. Namens appellant is verschenen mr. Bakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in dienst bij Werkvoorzieningschap Trion Kollum in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Hij was werkzaam op de afdeling bloemen en planten en belast met het inpakken van bloemen, oppotten en het stekken van planten. Appellant heeft zich op 9 november 2006 ziek gemeld wegens psychische klachten. Het Uwv heeft de loondoorbetalingverplichting van de werkgever verlengd tot 5 november 2009, omdat niet aan de re-integratieverplichtingen was voldaan.

1.2. Appellant is op 14 oktober 2009 onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft, na psychisch onderzoek, geconcludeerd dat appellant belastbaar is overeenkomstig de eerder in 2000 opgestelde zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis daarvan wordt appellant in staat geacht zijn eigen werkzaamheden te verrichten. Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 5 november 2009 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en daarbij gewezen op een besluit van 1 december 2009 afkomstig van het Uwv Werkbedrijf, waarbij zijn indicatie voor de Wsw is verlengd omdat hij (onveranderd) behoort tot de doelgroep van die wet. Volgens appellant blijkt uit het aan dat besluit ten grondslag gelegen rapport van drs. A.M.C. Ferwerda, psycholoog NIP, dat hij veel beperkingen heeft en dat deze de laatste tijd ook zijn toegenomen.

1.4. Bij besluit van 15 april 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Geconcludeerd is dat de vergaande beperkingen die in het rapport van psycholoog Ferwerda zijn gesteld, alleen zijn gebaseerd op de subjectieve klachtenbeleving van betrokkene en daarom niet kunnen worden gevolgd. De eerder, per 1 oktober 2000, vastgestelde medische beperkingen komen voldoende tegemoet aan de feitelijke aard en ernst van de medische toestand van appellant per 5 november 2009. Het Uwv heeft de FML uit 2000 omgezet, maar omdat het om dezelfde belastbaarheid gaat, blijft betrokkene daarmee geschikt voor zijn eigen werk.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. De rechtbank was van oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat met de opgestelde FML de medische beperkingen van appellant niet zijn onderschat. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat het Uwv het bestreden besluit niet langer baseert op de geschiktheid voor het eigen werk van appellant, nu is gebleken dat dit werk sinds april 2008 niet meer bestaat, maar op zijn geschiktheid voor een aantal geduide functies. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten omdat de geduide functies passend zijn te achten voor appellant.

3. In hoger beroep heeft appellant opnieuw gewezen op het in het kader van de herindicatie Wsw uitgebrachte rapport van psycholoog Ferwerda. Daaruit blijkt volgens appellant dat zijn medische beperkingen door het Uwv worden onderschat. Volgens appellant blijkt ook uit zijn ziekteverzuim van de laatste jaren dat hij niet in staat is om werkzaamheden te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig medisch onderzoek en dat er geen aanknopingspunten zijn het medisch oordeel van het Uwv voor onjuist te houden, wordt onderschreven.

4.2. Er is al vaker geoordeeld - onder meer in de uitspraken van 2 maart 2011 (LJN BP7599) en 9 november 2011 (LJN BU3581) - dat in zaken als deze, aan een besluit tot toelating tot de doelgroep van de Wsw, gelet op het gegeven dat hierbij een ander toetsingskader wordt gehanteerd dan bij een WIA-beoordeling, geen doorslaggevende betekenis toekomt, hetgeen echter niet wegneemt dat daaraan ook niet elke betekenis kan worden ontzegd. In dit verband is van belang dat het Uwv overtuigend heeft toegelicht dat uit het aan het indicatiebesluit Wsw ten grondslag liggende rapport van psycholoog Ferwerda blijkt dat de daarin vermelde vergaande beperkingen alleen zijn gebaseerd op de subjectieve klachtenbeleving van appellant. Op basis van de eigen onderzoeksgegevens van de psycholoog Ferwerda kan niet tot een zo andere belastbaarheid worden gekomen dan de verzekeringsartsen van het Uwv hebben vastgesteld. In het rapport ontbreekt een scheiding tussen medisch objectiveerbare directe gevolgen van ziekte of gebrek en andere factoren. Daarom kan het rapport van psycholoog Ferwerda niet leiden tot de conclusie dat het Uwv de medische beperkingen van appellant heeft onderschat.

4.3. In het door appellant in beroep overgelegde rapport van MEE Friesland, opgesteld door drs. S.H. van der Stege, orthopedagoog, en J. Minnema, psychodiagnostisch medewerker, zijn evenmin aanknopingspunten te vinden voor oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellant onjuist heeft vastgesteld. In dat rapport wordt gesteld dat appellant lijdt aan depressieve klachten, met een wisselend karakter, en dat hij hiervoor onder behandeling is geweest alsmede dat hij zeer beperkt stresstolerant is, een beperkt geheugen heeft, een beperkte concentratie en dat hij emotioneel instabiel is. De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat uit dat rapport niet duidelijk blijkt hoe deze beperkingen zijn vastgesteld en of deze beperkingen voortvloeien uit ziekte of gebrek of uit de lage begaafdheid van appellant.

4.4. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd met betrekking tot zijn medische situatie is evenmin grond gelegen om het medisch oordeel van het Uwv voor onjuist te houden.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat er geen aanleiding is voor inwilliging van het verzoek van appellant om een psychiater als deskundige te benoemen.

4.6. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies niet passend zouden zijn voor appellant.

4.7. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten in hoger beroep, dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende,

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) J.R. Baas.

NW