Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
11-111 AW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX7148, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Het argument van verzoeker behelst geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De regeling waarnaar verzoeker heeft verwezen, kon hem redelijkerwijs reeds vóór de uitspraken van de rechtbank en de Raad bekend zijn en hij had dat argument in de toenmalige procedures, dan wel in bezwaar of beroep tegen de bewuste besluiten, naar voren kunnen brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/111 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], (verzoeker),

tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 september 2009, 08/2197 AW,

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 19 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft om herziening verzocht van de uitspraak van de Raad van 10 september 2009, 08/2197 AW, LJN BJ8680.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012. Verzoeker is verschenen. De minister is zoals eerder aangekondigd niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de onder I genoemde uitspraak van de Raad. De Raad volstaat met het volgende

1.1. Bij besluit van 30 september 2004 is verzoekers uitkering op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) over de periode 1 september 1999 tot 1 maart 2002 op nihil gesteld, omdat verzoeker niet heeft gereageerd op herhaalde verzoeken van de minister nadere informatie te verstrekken over de door hem in zijn eigen fruitteeltbedrijf gewerkte uren. Bij besluit van 25 november 2004 is aan verzoeker meegedeeld dat de teveel betaalde BWOO-uitkering tot een bedrag van

€ 88.060,05 van hem wordt teruggevorderd.

2. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, heeft de Raad - oordelend op het hoger beroep van verzoeker - de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2008, 07/2170, bevestigd. De Raad heeft daarbij overwogen dat het verzoek van verzoeker aan de minister om terug te komen van de besluiten van 30 september 2004 en 25 november 2004 niet is onderbouwd met nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister was dan ook naar het oordeel van de Raad bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de besluiten van

30 september 2004 en 25 november 2004.

3. Verzoeker acht herziening van de uitspraak van de Raad van 10 september 2009 aangewezen omdat in het geval van verzoeker geoordeeld had moeten worden dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan de besluiten van 30 september 2004 en 25 november 2004 niet in stand konden blijven. Verzoeker heeft hiertoe aangevoerd dat hij als landbouwer op grond van de destijds geldende landbouwregeling geen urenadministratie behoefde bij te houden, zodat hem ten onrechte is verweten dat hij geen nadere informatie heeft verschaft over de door hem gewerkte uren in zijn fruitteeltbedrijf.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen.

4.3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, op grond waarvan de uitspraak van de Raad van 10 september 2009 zou moeten worden herzien. Het argument van verzoeker behelst - wat er overigens van zij en hoe invoelbaar de wens van verzoeker is dat de besluiten van 30 september 2004 en 25 november 2004 teruggedraaid worden - geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De regeling waarnaar verzoeker heeft verwezen, kon hem redelijkerwijs reeds vóór de uitspraken van de rechtbank en de Raad bekend zijn en hij had dat argument in de toenmalige procedures, dan wel in bezwaar of beroep tegen de bewuste besluiten, naar voren kunnen brengen.

4.4. Nu moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Bekkers.

HD