Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
11-360 WWB + 11-361 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht is niet aan te merken als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/360 WWB

11/361 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21, eerste lid van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (verzoeker),

van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 14 oktober 2008, 08/2969, 08/2970 WWB

in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Beesel (college)

Datum uitspraak: 24 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij brief van 14 december 2010 om herziening verzocht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 13 maart 2012. Verzoeker is in persoon verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker ontving sinds 1988 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een belastingsignaal heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoeker verleende bijstand. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat verzoeker beschikt over een, bij het college niet bekende, spaarrekening bij de Rabobank. Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft het college de bijstand van verzoeker met ingang van 1 juli 2007 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat verzoeker beschikt over vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen van destijds € 5.245,--. Bij besluit van 5 november 2007 heeft het college het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.2. Bij uitspraak van 16 april 2008, 07/1558 en 07/1681, heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 5 november 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat verzoeker beschikte over vermogen in de vorm van een spaarrekening, dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker het tegoed op deze spaarrekening heeft opgebouwd door te sparen van zijn bijstandsuitkering, dat de te beoordelen periode loopt van 1 juli 2007 tot en met de datum van het primaire besluit en dat niet is komen vast te staan dat verzoeker in deze gehele periode beschikte over vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen.

1.3. Bij zijn uitspraak van 14 oktober 2008, LJN BF9294, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen en bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van

5 november 2007 in stand blijven. Daartoe is onder meer overwogen dat uit de inmiddels overgelegde bankafschriften blijkt dat gedurende de periode van 1 juli 2007 tot en met 3 augustus 2007 steeds sprake is geweest van een saldo van € 17.500,-- en dat niet is gebleken van schulden.

2. Verzoeker heeft op 14 december 2010 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat het onderzoek van de sociale recherche onzorgvuldig is geweest, dat het college hem als grafisch ontwerper onterecht negeert en dat het college hem financieel en persoonlijk heeft geruïneerd. Op grond hiervan verzoekt hij om heropening (lees: herziening) van de zaak en wenst hij in ere hersteld te worden.

3.3. Hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht is niet aan te merken als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

3.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 3 oktober 2003, LJN AN7982), is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren, noch ook om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

3.5. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek om herziening afgewezen.

3.6. Ten overvloede wordt nog het volgende opgemerkt. De uitspraak van de rechtbank heeft bij verzoeker kennelijk bepaalde verwachtingen gewekt. De voorzieningenrechter van de Raad heeft echter de opdracht van de rechtbank aan het college om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen vernietigd en geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit in stand blijven. Dit houdt in dat het college geen nieuwe beslissing op bezwaar behoeft te nemen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

HD