Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
10-6137 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om in aanmerking te komen voor omscholing. De commandant heeft in redelijkheid kunnen weigeren appellant aan te wijzen voor de door hem beoogde opleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6137 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 oktober 2010, 09/8378 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Luchtstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 19 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012. Appellant is verschenen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Antzoulatos-Borgstein.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, korporaal der eerste klasse, is werkzaam bij de Koninklijke luchtmacht, laatstelijk in de functie van Chauffeur Commandant AOCS NM. Appellant heeft verzocht om in aanmerking te komen voor omscholing naar sergeant Inlichtingen en Veiligheid. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 6 juli 2009. Bij besluit van 27 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft de commandant het bezwaar van appellant tegen die afwijzing ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat gezien de aanstellingsopdrachten voor 2009 en 2010, de tien personen die de opleiding al gaan volgen en de te verwachten uitstroom, er geen ruimte is in de opleidingscapaciteit en er daarom geen plaats is voor appellant bij de opleiding tot onderofficier Inlichtingen en Veiligheid. Dat er vacatures bestaan voor het vakgebied Inlichtingen en Veiligheid neemt niet weg dat functionarissen eerst moeten worden opgeleid en de ervaringen die appellant heeft opgedaan tijdens uitzending, zijn niet voldoende om zonder die opleiding in aanmerking te komen voor het vervullen van een functie op het gebied van Inlichtingen en Veiligheid.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de commandant in redelijkheid het verzoek van appellant heeft afgewezen, omdat er geen opleidingsplaatsen beschikbaar waren en voldaan werd aan de behoefte van de organisatie aan binnen het vakgebied Inlichtingen en Veiligheid opgeleide onderofficieren. Dat er vacatures zijn binnen het vakgebied Inlichtingen en Veiligheid kan volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. Dit verandert immers niets aan de situatie dat er geen opleidingsplaatsen zijn.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er nog wel opleidingscapaciteit was omdat twee van de twaalf opleidingsplekken niet waren ingevuld. Voorts waren er volgens appellant binnen de vakgebieden Inlichtingen en Veiligheid en de MIVD nog functies beschikbaar. Bovendien, zo heeft appellant gesteld, had hij al ervaring op het vakgebied opgedaan tijdens uitzendingen en heeft hij al enkele opleidingen in het vakgebied gevolgd, waardoor hij minder opleiding behoeft te volgen. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geen uitspraak gedaan over de niet nagekomen toezegging van twee personeelsfunctionarissen, die voor appellant de opleidingsmogelijkheden zouden nagaan.

4. De commandant heeft in hoger beroep nader uiteengezet dat de twaalf opleidingsplaatsen van de opleiding die in oktober 2009 is gestart, alle waren ingevuld. Twee cursisten zijn voordat de opleiding aanving uit de opleiding gehaald om ten behoeve van inzet in Uruzgan versneld tot beeldanalist te worden opgeleid, met als gevolg dat uiteindelijk tien cursisten met de opleiding zijn gestart. De twee vrijgekomen plaatsen zijn niet aan andere militairen toegewezen om de twee uitgezonden cursisten na hun uitzending van vier maanden, alsnog de opleiding te laten volgen.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

5.1. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is de bevoegdheid van de commandant om een militair op grond van artikel 15, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement aan te wijzen voor het volgen van een opleiding, van discretionaire aard. Een besluit betreffende het al dan niet gebruikmaken van die bevoegdheid wordt door de rechter terughoudend getoetst.

5.2. De Raad kan de commandant volgen in zijn keuze om meer gewicht toe te kennen aan het niet invullen van de plaatsen ten behoeve van de militairen die tussentijds waren uitgezonden dan aan het aanwijzen van appellant voor die opengevallen opleidingsplaatsen, nu die uitgezonden militairen de opleiding alsnog zouden volgen na terugkeer. Het invullen van de plaatsen zou hebben geleid tot overtolligheid voor de functie van onderofficier Inlichtingen en Veiligheid.

De commandant heeft voorts in redelijkheid kunnen stellen dat het bestaan van vacatures los staat van het aantal op te leiden onderofficieren Inlichtingen en Veiligheid en geen aanleiding vormt om extra opleidingsplaatsen open te stellen, omdat dat op termijn zou leiden tot overtolligheid.

5.3. Met inachtneming van het vorenstaande, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daarvoor gegeven motivering dat de commandant in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant aan te wijzen voor de door hem beoogde opleiding tot onderofficier Inlichtingen en Veiligheid.

5.4. Verder heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de toezegging van de personeelsfunctionaris om na te gaan of er misschien nog andere mogelijkheden voor appellant waren buiten het vakgebied Inlichtingen en Veiligheid, buiten de omvang van dit geding valt. Dit geding betreft immers de afwijzing van de aanvraag om opgeleid te worden tot een functie bij Inlichtingen en Veiligheid.

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Bekkers.

HD