Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
10-1096 BBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om, met behoud van zijn uitkering, in aanmerking te komen voor de voorbereidingsperiode. In dit geval is geen situatie aanwezig waarin het dagelijks bestuur niet van het door het adviesbureau uitgebrachte advies zou mogen uitgaan. De gedingstukken bevatten geen objectieve gegevens die de stelling van appellant, dat wel sprake is van kansrijke bedrijfsideeën, kunnen onderbouwen. Geen reden voor aanhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1096 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 26 januari 2010, 09/244 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 24 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Atema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Schrale-Oranje, advocaat. Daarbij was ook B. van der Boor-Sretenovic aanwezig als tolk. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door K. Olijve.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft het plan opgevat om een eigen bedrijf te beginnen. Zijn bedrijfsidee is tweeledig. Appellant wil een touringcarbedrijf starten met ritten richting Montenegro en/of hij wil meubels importeren uit de voormalige Joegoslavische staten en die verkopen in een winkel. Hij heeft een aanvraag ingediend om, met behoud van zijn uitkering, in aanmerking te komen voor de voorbereidingsperiode op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). In het kader daarvan heeft het dagelijks bestuur het adviesbureau Advisor verzocht een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden voor begeleiding en coaching van appellant naar zelfstandig ondernemerschap en advies te geven in hoeverre hij daarvoor in aanmerking komt.

1.2. Advisor heeft in een selectierapport ondernemerschap geadviseerd de aanvraag af te wijzen en appellant niet toe te laten tot het voorbereidingsjaar richting zelfstandig ondernemerschap. Advisor acht de bedrijfsideeën van appellant niet kansrijk. Volgens Advisor mist appellant de benodigde kennis, vaardigheden en ondernemerskwaliteiten. Ook zal de financiering een probleem zijn omdat hij grote schulden heeft waarvan hij niet voldoende kan aantonen hoe de situatie is. Dit betreft onder andere een schuld aan de gemeente Leek ter hoogte van € 20.000,--.

1.3. Bij besluit van 2 december 2008 heeft het dagelijks bestuur op basis van het advies van Advisor de aanvraag op grond van het bepaalde in artikel 1, sub c, van het Bbz 2004 afgewezen.

1.4. Bij besluit van 29 januari 2009 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat een onderdeel van het onderzoek van Advisor bestaat uit het afleggen van een test via een computer in het Nederlands. Door taalproblemen is het voor hem lastig om deze test met goed gevolg af te leggen. De test geeft hierdoor geen reëel beeld. Voorts heeft hij aangevoerd dat de schuld die hij had bij de gemeente Leek niet behoeft te worden terugbetaald. Hij heeft hiervan een bewijs overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de van toepassing zijnde bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Appellant heeft ter zitting verzocht om uitstel van de behandeling van zijn zaak omdat hij nog nadere stukken wil indienen en getuigen wil laten horen. Hij heeft verzocht om een deel van die nadere stukken, die hij op dat moment bij zich had, aan het procesdossier toe te voegen. In aanmerking genomen het zeer late stadium van de procedure waarin appellant de door hem meegebrachte nadere stukken wil indienen, terwijl hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet eerder hadden kunnen worden ingebracht, zijn deze wegens strijd met de goede procesorde niet aan het dossier toegevoegd. Voorts is meegedeeld dat de zaak inhoudelijk wordt behandeld en dat na afloop van de zitting wordt beslist of er reden is voor aanhouding. In reactie op deze mededeling hebben appellant, zijn gemachtigde en de tolk de zaal verlaten, waarna het onderzoek ter zitting verder buiten hun aanwezigheid heeft plaatsgevonden.

4.2. Een bijstandverlenend orgaan is in zaken als hier aan de orde gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als Advisor. In dit geval is geen situatie aanwezig waarin het dagelijks bestuur niet van het door Advisor uitgebrachte advies zou mogen uitgaan. Ook in het geval appellant geen schuld meer heeft bij de gemeente Leek doet dat niet af aan de conclusies van het rapport. In het rapport wordt geconcludeerd dat appellant matig scoort op alle ondernemerskwaliteiten. Dat zou volgens het rapport voor een deel kunnen komen door de taalachterstand en het daardoor verkeerd interpreteren van de test. Anderzijds zijn de uitkomsten volgens het rapport vergelijkbaar met de resultaten uit het intakegesprek. De score is zodanig onvoldoende dat appellant wordt afgeraden om als zelfstandig ondernemer zijn inkomsten te willen gaan verdienen. In het rapport wordt opgemerkt dat de onvoldoende Nederlandse taalbeheersing in die zin een probleem is dat appellant niet zelf in het Nederlands kan onderhandelen en veel hulp van derden nodig heeft bij de door hem aangebrachte bedrijfsideeën. Daardoor is hij te weinig zelfstandig.

4.3. De Raad heeft onder de gedingstukken geen objectieve gegevens - zoals een contra-expertise - aangetroffen die de stelling van appellant, dat wel sprake is van kansrijke bedrijfsideeën, kunnen onderbouwen. Aan zijn stelling dat hem voor het uitbrengen van een contra-expertise de middelen ontbreken, gaat de Raad voorbij. Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechter de mogelijkheid een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van een beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Hieronder vallen ook de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Appellant had in dat licht met betrekking tot de vraag of hij een contra-expertise zou laten verrichten een andere afweging kunnen maken.

4.4. De Raad ziet geen aanleiding voor aanhouding van de zaak teneinde appellant in de gelegenheid te stellen om alsnog nadere stukken in te dienen en getuigen te laten horen. Appellant heeft niet duidelijk gemaakt welke stukken hij nog had willen indienen en waarover de getuigen zouden kunnen verklaren. De Raad heeft uit hetgeen appellant hierover ter zitting heeft meegedeeld afgeleid dat appellant een conflict heeft met het dagelijks bestuur over zijn bijstand, dat hij zich in die kwestie onheus bejegend voelt en dat hij hierover een uitspraak wenst van de Raad. De omvang van het geding is echter beperkt tot de vraag of het dagelijks bestuur terecht afwijzend heeft beslist op het verzoek om toegelaten te worden tot de voorbereidingsperiode in het kader van het Bbz 2004. Voorts heeft appellant voldoende gelegenheid gehad om tijdig nadere stukken, waaronder getuigenverklaringen, in te dienen. Appellant is bij brief van 9 februari 2012 uitgenodigd voor de zitting van 27 maart 2012. Bij de uitnodiging is hij erop gewezen dat stukken uiterlijk tot de elfde dag voor de zitting kunnen worden ingediend en dat te laat ingediende stukken kunnen worden geweigerd. Omdat appellant op dat moment geen advocaat meer had is de uitnodiging naar zijn huisadres gestuurd. Appellant kan zich er dan ook niet met succes op beroepen dat hij van de in de uitnodiging genoemde termijn niet op de hoogte was.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) B. Bekkers.

HD