Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3749

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
10-937 WWB + 10-938 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag algemene bijstand en bijzondere bijstand. Appellant kan niet worden aangemerkt als een vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf houdt dan wel heeft gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Appellant kan evenmin op grond van het bepaalde in artikel 11, derde lid, onder b, van de WWB als rechtmatig in Nederland verblijvend worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/937 WWB

10/938 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 december 2009, 09/889 en 09/1367 (aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

Datum uitspraak: 24 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Mol.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, in het bezit van de Nigeriaanse nationaliteit, heeft op 30 oktober 2008 een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Appellant heeft op 5 november 2008 algemene bijstand aangevraagd.

1.2. Het college heeft bij besluit van 24 november 2008 de aanvraag om algemene bijstand afgewezen. Bij besluit van 17 december 2008 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Aan beide besluiten ligt ten grondslag dat appellant niet beschikt over een verblijfsdocument in de zin van artikel 11 van de WWB.

1.3. Bij besluiten van 20 januari 2009 en 10 februari 2009 (bestreden besluiten) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 november 2008 respectievelijk het besluit van 17 december 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet kan worden aangemerkt als een vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf houdt dan wel heeft gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 en dat appellant evenmin op grond van het bepaalde in artikel 11, derde lid, onder b, van de WWB als rechtmatig in Nederland verblijvend kan worden aangemerkt. De rechtbank is tevens van oordeel dat het college terecht heeft afgezien van een beoordeling van dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB, omdat ingevolge het tweede lid van dat artikel het eerste lid niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. De zorgplicht van de gemeente, het beginsel van coulance en de beginselen van behoorlijk bestuur strekken naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat het college in afwijking van de artikelen 11 en 16 van de WWB bijstand of bijzondere bijstand kan verstrekken.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij rechtmatig in Nederland verblijft en dat er vanwege bijzondere - medische - omstandigheden sprake is van dringende redenen voor het verlenen van bijstand. Appellant verzoekt het college om alsnog tot toekenning van bijzondere bijstand over te gaan dan wel een voorziening krachtens de op de gemeente rustende zorgverplichting te verstrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat appellant ten tijde van belang in afwachting was van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Er was sprake van een verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000.

4.2. De in hoger beroep aangevoerde gronden verschillen niet wezenlijk van hetgeen in beroep naar voren is gebracht. Appellant verbleef tijdens de periode in geding weliswaar rechtmatig in Nederland, maar niet in de onder 2, tweede volzin, bedoelde zin. Gelet hierop had hij geen recht op bijstand.

4.3. De wetgever heeft de categorie├źn vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, uitdrukkelijk buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. De stelling van appellant dat er bijstand zou moeten worden verleend op grond van dringende redenen treft dan ook geen doel.

4.4. Van een zorgplicht op grond waarvan het college in afwijking van de artikelen 11 en 16 van de WWB bijstand zou moeten verstrekken, is geen sprake. Voor zover appellant doelt op een voorziening buiten de WWB is dit niet aan de orde in dit geding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2012.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) R.L.G. Boot.

IJ