Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
10-2715 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2715 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2010, 09/3244 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 24 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.R. Kwee, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kwee en vergezeld van E. Battaloglu als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. El Fizazi.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 10 februari 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellant werkend is aangetroffen, heeft de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarbij is uit de kentekenregistratie van de Dienst Wegverkeer (RDW) gebleken dat in de periode van

15 januari 2002 tot en met 8 oktober 2008 elf kentekens op naam van appellant hebben gestaan, merendeels gedurende korte tijd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de Rapportage melding van 13 februari 2009.

1.3. Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college de bijstand van appellant over de maanden januari en september 2004, maart en april 2005, januari, augustus en oktober 2006 en mei en juli 2007 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze maanden tot een bedrag van € 9.296,19 van hem teruggevorderd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant aan het college geen melding heeft gemaakt van in- en verkoop van auto’s in genoemde maanden, dat appellant hieromtrent geen afdoende informatie heeft verstrekt en dat het recht op bijstand over de genoemde maanden daardoor niet is vast te stellen.

1.4. Bij besluit van 26 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2009 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college is tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van twee auto’s ten onrechte is aangenomen dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat de intrekking over de maanden februari 2004 en maart 2005 niet in stand kan blijven. Voorts is het van appellant teruggevorderde bedrag naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 7.155,99.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, kort samengevat, aangevoerd dat het naar de sloop brengen van auto’s niet valt te kwalificeren als een overdracht aan derden waarmee hij redelijkerwijs inkomsten heeft kunnen verwerven, dat de medische problematiek van appellant het verwerven van inkomsten in de weg staat, dat twee auto’s van de dochter van appellant zijn, dat de waarde van de resterende auto’s de grens van het voor appellant van toepassing zijnde vrij te laten vermogen niet overschreed en dat volledige intrekking van het recht op bijstand over genoemde maanden in strijd is met onder meer het evenredigheidsbeginsel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat blijkens de kentekenregistratie van de RDW in de maanden hier nog in geding zeven auto’s op naam van appellant hebben gestaan. Deze kentekens stonden merendeels gedurende korte tijd, soms niet langer dan twee dagen, op naam van appellant. Uit de registratie blijkt dat het om auto’s gaat die aan derden zijn overgedragen, al dan niet voor gebruik in het buitenland, dan wel die zijn aangemeld voor sloop. Appellant heeft daarvan aan het college geen mededeling gedaan.

4.2. Ook auto’s die voor sloop zijn aangemeld kunnen invloed hebben op de bijstandsverlening en dienen te worden gemeld aan het college. Evenals de rechtbank heeft gedaan, wordt hier verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 januari 2010, LJN BK9786. Voor de grond dat die uitspraak in het onderhavige geval niet van toepassing is omdat het hier gaat om “maar’’zeven kentekens, zijn geen aanknopingspunten te vinden. Voorts is de stelling dat twee auto’s aan de dochter van appellant toebehoren niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De verklaring van de dochter kan niet als zodanig worden aangemerkt. Verder ontbreken objectieve gegevens voor de grond dat de gezondheidstoestand van appellant het verwerven van inkomsten in de weg staat. De omstandigheid dat appellant vanaf 29 september 2004 in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) voor 45-55% arbeidsongeschikt wordt beschouwd, biedt geen steun voor deze grond. Dat appellant met ingang van 1 juni 2011 in het kader van de WAZ voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is verklaard is, gelet op de maanden hier in geding, reeds om die reden niet van belang. Evenmin wordt appellant gevolgd in zijn zienswijze dat de waarde van de auto’s de grens van het voor hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen niet overschreed, reeds omdat de omvang van het vermogen niet aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Het moet appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat het bezit van een of meerdere auto’s van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Niet alleen vanwege de waarde die deze auto’s in het economische verkeer vertegenwoordigen, maar ook vanwege eventuele op geld waardeerbare activiteiten en transacties die met betrekking tot die auto’s plaatsvinden. Voor zover bij appellant nog enige twijfel zou hebben bestaan over de relevantie van het autobezit en/of de door hem ter zake ontplooide activiteiten, had het op zijn weg gelegen om het college tijdig over een en ander in te lichten, waarna het aan het college zou zijn geweest de gevolgen voor de bijstandsverlening te beoordelen. Door van het autobezit en die activiteiten/transacties geen melding te maken, is appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen.

4.3. De Raad onderschrijft vervolgens de conclusie van de rechtbank dat als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting en het ontbreken van een administratie inzake de koop en verkoop van de auto’s het recht op aanvullende bijstand over de maanden in geding niet is vast te stellen. Daaruit vloeit voort dat de stelling van appellant dat er onevenredigheid bestaat tussen volledige intrekking van de bijstand over de transactiemaanden en hetgeen appellant met die transacties zou hebben kunnen verdienen, niet kan worden gevolgd.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2012.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) R.L.G. Boot.

HD