Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
10-116 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie, gevolgd door intrekking WAO-uitkering. Maatvrouwomvang en maatvrouwfunctie. Verpleeghuisarts (in opleiding). Overwerk gecompenseerd volgens het principe “tijd voor tijd”. Dat dit aldus gecompenseerde overwerk volgens CAO-bepalingen uitbetaald had moeten worden, brengt niet mee dat de uit de CAO voortvloeiende aanspraak als inkomensbestanddeel moet worden meegenomen bij de vaststelling van haar maatvrouwinkomen. Immers niet het CAO-loon, maar het feitelijk overeengekomen (lagere) loon, is bepalend en appellante heeft daarmee, afgaande op de beschikbare gegevens, waaronder een aantal overgelegde salarisstroken, kennelijk genoegen genomen Dat het door appellante verrichte overwerk nadien, toen zij na haar uitval haar eigen werk weer hervatte, wel conform de CAO werd uitbetaald en dat deze inkomsten vervolgens als inkomsten zijn meegenomen bij de toepassing van artikel 44 van de WAO, maakt niet dat de voorheen wel gewerkte maar niet in de vorm van geld beloonde overuren dan ook in het maatvrouwinkomen dienen te worden verwerkt. Terugwerkende kracht toepassing gegeven aan art. 44 WAO. Beleid terzake op consistente wijze toegepast.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18, geldigheid: 2012-04-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/139
RSV 2012/171

Uitspraak

10/116 WAO

10/4562 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 27 november 2009, 08/91 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 20 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M. Stalmeier, werkzaam bij de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 20 juli 2010 ingezonden en daarbij een rapport van bezwaararbeidsdeskundige J. Huisman van 21 juni 2010.

Partijen hebben vervolgens over en weer, onder toezending van nadere stukken, op elkaars standpunten gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stalmeier. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer. Voor de werkgever van appelllante is verschenen A.I. Ronner.

II. OVERWEGINGEN

1. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting houdt de Raad het er voor, dat de werkgever, een woonzorgorganisatie, die niet heeft deelgenomen aan de bezwaarprocedure, met haar partijstelling in hoger beroep in feite geen ander oogmerk heeft gehad dan ondersteuning te bieden aan het hoger beroep van appellante. De Raad merkt daarom de werkgever niet aan als belanghebbende die als partij aan het geding deelneemt.

1.1. Appellante was voorheen voor 36 uren per week werkzaam als GGD-arts. Per 1 augustus 2001 is zij in dienst getreden als verpleeghuisarts in opleiding voor 32 uren per week. Daarnaast waren vier uren bestemd voor opleiding. De overige vier uren aan opleiding deed zij in haar vrije tijd. Op 20 juni 2003 is appellante uitgevallen met rugklachten. Met ingang van 18 september 2004 is aan haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Omdat appellante op dat moment al voor een (toenemend) aantal uren was hervat heeft het Uwv onderzoek gedaan om te komen tot toepassing van artikel 44 van de WAO. Op 9 juli 2005 heeft appellante haar opleiding tot verpleeghuisarts afgerond.

1.2. Bij besluiten van 13 juli 2007 heeft het Uwv, voor zover van belang, met toepassing van artikel 44 van de WAO, de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 juli 2005 betaald naar de klasse 25-35%, deze uitkering met ingang van 1 oktober 2005 niet meer uitbetaald en deze uitkering ten slotte per 8 mei 2006 ingetrokken omdat zij per die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. Bij besluit van 13 december 2007 (bestreden besluit I) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 13 juli 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit I gegrond verklaard, bestreden besluit I vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen dat:

- het Uwv bij het bepalen van de maatgevende arbeid ten onrechte is uitgegaan van de functie van verpleeghuisarts in opleiding (functieschaal 65) en alsnog moet uitgaan van de verpleeghuisarts met een maatvrouwloon behorende bij functieschaal 70 nu vast staat dat de functie van appellante met terugwerkende kracht per 1 augustus 2001 als zodanig is ingeschaald en zij van haar werkgever ter zake nabetaling heeft ontvangen;

- appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat door haar gewerkte overuren niet uitsluitend werden gecompenseerd volgens het principe “tijd-voor-tijd” zodat haar beroepsgrond, dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar gewerkte overuren bij de vaststelling van het maatvrouwloon, faalt;

- appellante wist of redelijkerwijs kon weten dat de toename van haar werkzaamheden van invloed zou kunnen zijn op haar uitkering zodat het Uwv met terugwerkende kracht de anticumulatiebepaling van artikel 44 van de WAO kon toepassen.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep geschaard achter het oordeel van de rechtbank dat voor het maatvrouwloon moet worden uitgegaan van de functie van verpleeghuisarts met een functieschaal 70. Zij heeft echter gronden aangevoerd tegen - kort gezegd - de vaststelling van de maatvrouwomvang en het maatvrouwloon, alsmede tegen het met terugwerkende kracht toepassen van artikel 44 van de WAO.

3.2. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar van 20 juli 2010 (bestreden besluit II) genomen, waarbij het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 13 juli 2007 gegrond is verklaard. Het Uwv heeft de maatvrouw nu gebaseerd op het salaris van een verpleeghuisarts, functieschaal 70. De maatvrouwomvang is gehandhaafd op 32,38 uren per week. Het Uwv blijft bij zijn standpunt dat de door appellante gewerkte overuren niet in het maatvrouwloon dienen te worden opgenomen. Het Uwv heeft vervolgens de wijze van betaling van de

WAO-uitkering van appellante met toepassing voor een aantal tijdvakken in de periode van 1 juni 2005 tot en met 8 mei 2006 verschillend vastgesteld. Een definitieve beëindiging van de WAO-uitkering vindt niet plaats omdat deze beslissing over de periode na 8 mei 2006 buiten de omvang van de bezwaarprocedure valt. Ook houdt het Uwv vast aan toepassing van artikel 44 van de WAO met terugwerkende kracht.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Aangezien het Uwv bij bestreden besluit II niet (volledig) tegemoet komt aan het beroep van appellante tegen bestreden besluit I, wordt dat beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, mede geacht te zijn gericht tegen bestreden besluit II en zal de Raad in het kader van de beoordeling van het onderhavige hoger beroep ook een oordeel geven over bestreden besluit II.

4.2. In hoger beroep spelen enkel nog arbeidskundige aspecten.

4.3. De Raad constateert vooreerst dat het Uwv in bestreden besluit II, conform de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, nu bij de vaststelling van het maatvrouwloon de functie van verpleeghuisarts (functieschaal 70) in aanmerking heeft genomen. Hierover verschillen partijen dus niet langer van mening.

4.4. Volgens appellante is bij de functie van verpleeghuisarts evenwel sprake van een 36-urige werkweek, terwijl een verpleeghuisarts in opleiding voor 32 uren per week wordt aangenomen zodat deze nog opleidingsactiviteiten kan verrichten. Appellante stelt dat daarom bij het vaststellen van de omvang van haar maatvrouwfunctie rekening dient te worden gehouden met een 36-urige werkweek in plaats van een 32-urige werkweek. Deze grond kan geen doel treffen.

4.4.1. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de WAO moet de verdiencapaciteit van een betrokkene worden vergeleken met hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar zij arbeid verrichten of het laatst hebben verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Uitgangspunt daarbij is volgens bestendige jurisprudentie van de Raad, dat de aan betrokkene gelijksoortige gezonde personen degene is, die in dezelfde omvang als betrokkene voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid werkzaam was.

4.4.2. Niet in geschil is dat appellante voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid een aanstelling had van 32 uren per week. Ook na het voltooien van haar opleiding is zij met terugwerkende kracht per datum indiensttreding voor 32 uren per week uitbetaald naar de functie van verpleeghuisarts. Wellicht lag het in de bedoeling van appellante om na het voltooien van haar opleiding 36 uren per week te gaan werken, maar zover heeft het niet mogen komen. Zij heeft haar werkzaamheden na haar uitval ook voor niet meer dan 24 uren per week hervat. Dat de functie verpleeghuisarts, al dan niet na voltooien van de opleiding, standaard in 36 uren per week wordt verricht is door de werkgever ter zitting betwist en is ook overigens niet aannemelijk. Evenmin is komen vast te staan dat hierover concrete afspraken zijn gemaakt tussen appellante en haar werkgever. Dat appellante in staat zou zijn geweest om 36 uren te werken als zij niet was uitgevallen, omdat zij in het verleden als GGD-arts ook 36 uren per week werkzaam is geweest en omdat zij naast haar dienstverband als verpleeghuisarts in opleiding vier uren aan opleiding in haar vrije tijd besteedde, is geen maatstaf voor het bepalen van de maatvrouwomvang en kan haar daarom niet baten.

4.5. Appellante heeft verder aangevoerd dat het Uwv zowel bij de vaststelling van het maatvrouwloon als bij de vaststelling van de maatvrouwomvang ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het werkelijk door appellante voor haar uitval verrichte overwerk. Ook deze grond faalt.

4.5.1. Niet in geschil is dat het door appellante voor haar uitval verrichte overwerk (voornamelijk) werd gecompenseerd volgens het principe “tijd-voor-tijd” en dus niet werd uitbetaald. Dat dit aldus gecompenseerde overwerk volgens CAO-bepalingen uitbetaald had moeten worden, brengt niet mee dat de uit de CAO voortvloeiende aanspraak als inkomensbestanddeel moet worden meegenomen bij de vaststelling van haar maatvrouwinkomen. Immers niet het CAO-loon, maar het feitelijk overeengekomen (lagere) loon, is bepalend en appellante heeft daarmee, afgaande op de beschikbare gegevens, waaronder een aantal overgelegde salarisstroken, kennelijk genoegen genomen (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 11 september 1998, LJN AA8504).

4.5.2. Dat het door appellante verrichte overwerk nadien, toen zij na haar uitval haar eigen werk weer hervatte, wel conform de CAO werd uitbetaald en dat deze inkomsten vervolgens als inkomsten zijn meegenomen bij de toepassing van artikel 44 van de WAO, maakt niet dat de voorheen wel gewerkte maar niet in de vorm van geld beloonde overuren dan ook in het maatvrouwinkomen dienen te worden verwerkt (vergelijk in die zin de uitspraak van de Raad van 16 augustus 2010, LJN BN2788).

4.6. Ten slotte kan de grond tegen het met terugwerkende kracht toepassen van artikel 44 van de WAO evenmin slagen. Het Uwv hanteert als beleid - kort gezegd - dat toepassing van anticumulatiebepalingen met terugwerkende kracht kan plaatsvinden indien een verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hij teveel uitkering ontving. Dit door het Uwv ter zake gevoerde beleid dient - in lijn met de uitspraak van de Raad van 5 november 2008 (LJN BG3717) - te worden aangemerkt als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast. Appellante heeft te dien aanzien geen gronden aangevoerd. De (enkele) stelling dat met het nemen van de anticumulatiebesluiten enig tijdsverloop was gemoeid, is in dit verband onvoldoende. Het is de Raad verder ook niet gebleken dat het Uwv het beleid niet op consistente wijze heeft toegepast.

4.7. De overwegingen 4.3 tot en met 4.6 leiden tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het Uwv daarbij is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, en voor het overige, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Het beroep voor zover dit wordt geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II zal ongegrond worden verklaard.

5. Nu de motivering van besteden besluit II in hoger beroep ingrijpend is gewijzigd ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding aan appellante van haar proceskosten in hoger beroep. Deze wordt begroot op € 874,- voor beroepsmatig verleende bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het Uwv daarbij is opgedragen een nieuw - besluit op bezwaar te nemen;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 874,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) G.J. van Gendt.

CVG