Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
10-4865 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Het medische onderzoek dat het Uwv ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Appellant moet met zijn lichamelijke en psychische beperkingen in staat worden geacht om zijn werkzaamheden als productiemedewerker te hervatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4865 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 juli 2010, 10/682 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 april 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Jurgers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker voor 40 uur per week bij [naam werkgever], toen hij op 6 oktober 2008 voor zijn werk met lichamelijke klachten uitviel. Vanwege het einde van het dienstverband is appellant met ingang van 1 mei 2009 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellant heeft een paar keer het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Op het laatste spreekuur is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 9 september 2009 geschikt is te achten voor zijn arbeid. Bij besluit van 3 september 2009 is appellants ZW-uitkering beëindigd met ingang van 9 september 2009. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Vanuit de situatie dat appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich op 19 oktober 2009 opnieuw ziek gemeld. Na onderzoek op 10 november 2009 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat de toegenomen klachten niet konden worden geobjectiveerd en appellants beperkingen ten opzichte van de beoordeling op 3 september 2009 niet zijn veranderd. Bij besluit van 10 november 2009 wordt appellant per 19 oktober 2009 ziekengeld geweigerd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.

2. Bij besluit van 11 januari 2010 (bestreden besluit) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 3 september 2009 en 10 november 2009 ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 7 januari 2010 ten grondslag gelegd.

3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen naar de medische gesteldheid van appellant voldoende zorgvuldig is geweest, aangezien die artsen appellant op hun spreekuur hebben gezien en medische informatie van de behandelende sector bij hun beoordeling van appellants belastbaarheid hebben betrokken. Volgens de rechtbank waren de verzekeringsartsen op de hoogte van alle klachten en beschikten zij aldus over een voldoende volledig beeld van zijn gezondheidstoestand. De rechtbank heeft de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven dat er geen aanleiding was om de medische grondslag van de primaire beslissingen te herzien mede gelet op het feit dat de werkzaamheden van appellant niet rugbelastend noch stresserend zijn.

4. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de uitspraak betwist en om nader onafhankelijk medisch en arbeidskundig onderzoek verzocht.

5. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek dat het Uwv ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De verzekeringsartsen hadden naast de bevindingen van het eigen onderzoek ook de beschikking over informatie van de behandelende psychiater en de huisarts. Bovendien heeft de arbeidsdeskundige onderzoek verricht naar de werkzaamheden van appellant. Uit het rapport van 24 juni 2009 komt naar voren dat het werkzaamheden van zeer eenvoudige aard betreft, zoals het met touwtjes bundelen van handdoekjes en washandjes, of het verpakken van allerlei verschillende artikelen, zoals tijdschriften, cd’s, dvd’s, cosmetica enz. De werknemers kunnen naar eigen wens, zitten of staan. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant op het spreekuur van 13 november 2009 onderzocht en bij de beoordeling ook alle dossiergegevens van appellant betrokken. Op grond van de door appellant verstrekte informatie, de eigen onderzoeksbevindingen en de reeds aanwezige gegevens, waaronder die van de behandelende sector en voormeld arbeidskundig onderzoek, heeft de bezwaarverzekeringsarts op goede gronden geconcludeerd dat appellant met zijn lichamelijke en psychische beperkingen in staat moet worden geacht om zijn werkzaamheden als productiemedewerker te hervatten.

6. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die een ander licht op zijn beperkingen werpen. Ook heeft appellant in het geheel zijn standpunt niet onderbouwd dat de arbeidsdeskundige zijn werkzaamheden onjuist heeft beoordeeld. De Raad ziet dan ook geen reden om nader onafhankelijk medisch en arbeidskundig onderzoek te laten verrichten.

7. Hetgeen onder 5 en 6 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 9 september 2009 heeft beëindigd en met ingang van 19 oktober 2009 geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. Boer.

TM