Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
10-17 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering herziening WAO-uitkering. In hoger beroep is na heropening van het onderzoek een vraagstelling aan het Uwv uitgegaan. Er is geen reden de bevindingen en conclusies van het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van deze vraagstelling voor onjuist te houden. Dit brengt mee dat moet worden geoordeeld dat de beperkingen ten aanzien van de rugbelasting, zoals die zijn neergelegd in het FIS-belastbaarheidspatroon van 13 april 1995 en zijn aangevuld in het patroon van 4 september 1996, en die voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak, niet zijn toegenomen. Hierin ligt tevens besloten dat de Raad geen noodzaak ziet om een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Wat betreft de in 2003 vastgestelde tuberculose is er geen grond voor een andere conclusie dan dat ten aanzien daarvan geldt dat sprake is van een andere ziekteoorzaak. Wat betreft de medische geschiktheid van de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies is er geen aanleiding om over de uitvoerige motivering van de rechtbank over de aanvaardbaarheid van die functies tot een ander oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/17 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 november 2009, 08/5790 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 20 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op een vraagstelling van de Raad gereageerd door inzending van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts R. Rombout van 20 augustus 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2011.

Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

Omdat naar het oordeel van de Raad het onderzoek niet volledig is geweest, heeft hij het onderzoek heropend en in het kader daarvan een vraagstelling doen uitgaan aan het Uwv, dat daarop reageerde door inzending van een rapport van Rombout van 7 november 2011.

De gemachtigde van appellant heeft hierop bij brieven van 27 januari en 2 maart 2012 gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het doen van een uitspraak zonder (tweede) zitting, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als ambulant jongerenhulpverlener toen hij zich op 27 augustus 1990 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van psychische klachten en rugklachten. Aan appellant is met ingang van 28 augustus 1991 een volledige uitkering op grond van onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Met ingang van 29 augustus 1995 is deze uitkering herzien naar de klasse 25 tot 35% en met ingang van 23 juli 1996 naar de klasse 35 tot 45%. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 7 augustus en 3 september 1996 is onder andere vermeld dat voor de mentale problematiek dezelfde beperkingen gelden, dat de beperkingen ten aanzien van de rugbelasting enigszins zijn toegenomen, dat sprake was van een enigszins overmatige spondylose op thoracaal niveau en dat na staken van de manuele therapie de klachten en beperkingen aan de rug toenamen. Nadien is de WAO-uitkering met ingang van 27 september 2001 onveranderd vastgesteld naar de klasse 35 tot 45%. Ook bij een herbeoordeling in 2002 wijzigde de klasse niet.

2. Appellant heeft zich op 31 augustus 2006 in verband met medische ontwikkelingen in 2003 en 2005 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. De verzekeringsarts A.F. Damee heeft appellant op 17 oktober 2007 onderzocht naar aanleiding van deze melding en tevens in het kader van een herbeoordeling op grond van het Schattingsbesluit zoals dat gold tot 1 oktober 2004 (herbeoordeling oSB-45+). In een rapport van 28 november 2007 stelde Damee vast dat de psychische beperkingen en de beperkingen voor rugbelasting ongewijzigd bleven en dat appellant niet verzekerd is voor de in 2003 vastgestelde TBC en de in 2005 vastgestelde reuma. De eerder vastgestelde en ongewijzigd gebleven beperkingen legde Damee vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ontvangen informatie van de behandelend reumatoloog A.A.M.E. Stenger van 18 december 2007, waarin sprake was van een diffuse idiopathische skelet hyperostose (DISH) en polyartrose, noopte volgens Damee, zoals blijkt uit zijn rapport van 31 januari 2008, niet tot aanpassing van de FML. Volgens de reumatoloog is sprake van een reumatologische aandoening waarbij met name de thoracale wervelkolom is aangedaan en volgens Damee bestond deze aandoening waarschijnlijk al lang. In verband met degeneratieve rugklachten waren al eerder rugbeperkingen aangenomen en deze beperkingen wijzigden, aldus Damee, niet door deze nieuwe diagnose omdat bij zijn onderzoek en dat van de reumatoloog geen neurologische uitval of kanaalstenose is vastgesteld. Bij het arbeidskundig onderzoek werd, uitgaande van 1 juli 2003 en 1 oktober 2005 als de arbitraire data van de geclaimde toename van de beperkingen, vastgesteld dat bij functieduiding de arbeidsongeschikheidsklasse met ingang van 29 juni 2004 en 29 september 2007 ongewijzigd 35 tot 45% bleef. Ook in het kader van de herbeoordeling oSB-45+ werd deze klasse vastgesteld. Dienovereenkomstig besloot het Uwv bij twee afzonderlijke besluiten van 5 juni 2008 per de data 29 juni en 29 september 2007 onderscheidenlijk wat betreft de herbeoordeling oSB-45+ de WAO-uitkering niet te herzien.

3. In de bezwaarprocedure heeft Damee de FML op 6 augustus 2008 naast het item 3.9 aangepast door schrapping van de voor afwisseling van houding geformuleerde toelichting bij het item 5.9. Vervolgens heeft de in rubriek I vermelde bezwaarverzekeringsarts Rombout, na weging van de beschikbare medische gegevens waaronder het journaal van de huisarts en informatie van de behandelende orthopedisch chirurg, op 3 november 2008 geconcludeerd dat de datering van de vastgestelde tuberculose niet van belang is omdat er eerder in verband met die ziekte geen beperkingen golden. Voorts vielen, aldus Rombout, de in 2005 vastgestelde DISH en de polyartrose buiten de namens appellant gestelde verzekerde periode (te weten: tot 11 juni 2002), voor zover deze niet de rug betreffen. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek in de bezwaarprocedure vastgesteld dat alle functies rugsparend waren, dat rekening werd gehouden met het eczeem van appellant en dat bij een enigszins gewijzigde functieduiding, waarbij de functie parkeercontroleur de reservefunctie werd, het verlies aan verdienvermogen 40% bedroeg. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 6 november 2008 de bezwaren van appellant tegen de in overweging 2 vermelde besluiten van 5 juni 2008 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 6 november 2008 (bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank onderschreef - onder verwijzing naar de rapporten van Damee en Rombout en de daarbij verkregen informatie van de behandelende artsen - de aangepaste FML en de conclusies van Rombout ten aanzien van de in 2003 vastgestelde tuberculose en voorts de DISH, alsmede de gevolgen daarvan voor de toepassing van de artikelen 37, tweede lid, en 39a van de WAO, voor zover er geen sprake was van toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de drie uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellant niet overschreden.

5.1. In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze houden - samengevat weergegeven - in dat in de FML ten onrechte geen rekening is gehouden met verergering van de rugklachten en dat de geduide functies onvoldoende rugsparend zijn, niet geschikt zijn in verband met het eczeem van appellant en dat de functie parkeercontroleur ongeschikt is vanwege de daarin vereiste conflicthantering.

6.1. De Raad stelt, mede gelet op het verhandelde ter zitting, voorop dat appellant zijn verzekering op grond van de WAO ontleent aan artikel 7b. Volgens het eerste lid van dit artikel wordt immers mede als werknemer beschouwd degene die op grond van de verplichte verzekering ingevolge de WAO uitkering ontvangt. Appellant ontving een volledige WAO-uitkering, die, zoals in overweging 1 is vermeld, met ingang van 29 augustus 1995 is herzien naar de klasse 25 tot 35%. Op grond van artikel 37, eerste lid, van de WAO vindt herziening van de WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid 104 weken heeft geduurd. Volgens het tweede lid van artikel 37 vindt de in het eerste lid bedoelde herziening niet plaats indien appellant bij intrede van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b als werknemer wordt beschouwd en die toename kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan de WAO-uitkering wordt ontvangen, is voortgekomen. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet (meer) in geschil dat terzake van de gestelde toename de artikelen 39 en 39a van de WAO niet van toepassing zijn.

6.2.1. Wat betreft de in 2005 vastgestelde diagnosen DISH en polyartrose heeft de Raad na heropening van het onderzoek de in rubriek I vermelde vraagstelling aan het Uwv doen uitgaan. Gevraagd werd of in verband met die diagnosen verdergaande beperkingen aan de rug (thoracaal dan wel laag lumbaal) moesten worden aangenomen dan zijn opgenomen in het FIS-belastbaarheidspatroon van 13 april 1995 dat ten grondslag lag aan de herziening van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 augustus 1995 naar de klasse 25 tot 35% en de op 6 augustus 2008 aangepaste FML.

6.2.2. Naar aanleiding van de in 6.2.1 vermelde vraagstelling heeft Rombout informatie opgevraagd bij de neuroloog Stenger en heeft hij appellant op 12 oktober 2011 lichamelijk onderzocht. Volgens Rombout, zoals blijkt uit zijn rapport van 7 november 2011, maakt deze informatie, het verband inzichtelijk tussen DISH en de rugklachten. Rombout vermeldde voorts dat hij bij het door hem verrichte lichamelijk onderzoek, waarbij volgens appellant de toestand ten aanzien van de locomotore belasting niet wezenlijk verschilde met die op de data in geding, geen evidente afwijkingen op neurologisch gebied heeft waargenomen. Vanuit orthopedisch oogpunt was volgens Rombout bij appellant sprake van een scoliose. In verband hiermede zijn volgens Rombout beperkingen te stellen ten aanzien van zwaar tillen, frequent tillen vanaf vloerniveau vanuit een staande positie en (frequent) torderen en buigen. Met een en ander is in de FML, aldus Rombout, goed rekening gehouden met de gestelde beperkingen op de items 4.10, 4.11, 4.14 en 4.16 (tillen), 4.12 en 5.6 (torderen) en 4.9 (buigen). Daarentegen zijn geen aanwijzingen gevonden voor sterkere beperkingen voor lopen, staan of zitten en bleek niet de noodzaak afwisseling van houding voor te schrijven, omdat geen gewrichtsproblematiek aan heup of knieƫn aan de orde is. De conclusie van Rombout was dan ook dat de belastbaarheid van appellant bij zijn onderzoek niet anders was dan voor de data in geding is vastgesteld.

6.2.3. Appellant heeft op het onderzoek van Rombout onder andere gereageerd bij brief van 2 maart 2012. Hierin wordt verwezen naar een brief van Stenger van 8 februari 2012 naar aanleiding van namens appellant gestelde vragen aan Stenger over zijn belastbaarheid. Stenger gaf aan daarover geen uitspraak te kunnen doen omdat de vertaalslag van diagnose naar belastbaarheid door de verzekeringsarts wordt gedaan. Voorts handhaafde appellant al hetgeen eerder is aangevoerd. De Raad heeft in de reactie van appellant en ook overigens geen reden gezien de bevindingen en conclusies van het onderzoek van Rombout voor onjuist te houden. Dit brengt mee dat moet worden geoordeeld dat de beperkingen ten aanzien van de rugbelasting, zoals die zijn neergelegd in het FIS-belastbaarheidspatroon van 13 april 1995 en zijn aangevuld in het patroon van 4 september 1996, zoals ook door Damee bij zijn onderzoek al is vastgesteld, en die voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak in de zin artikel 37, tweede lid, van de WAO, niet zijn toegenomen. Hierin ligt tevens besloten dat de Raad geen noodzaak ziet om, zoals namens appellant in de reactie is verzocht, een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

6.2.4. Wat betreft de in 2003 vastgestelde tuberculose, waarvan appellant bij het onderzoek van Damee op 17 oktober 2007 overigens vermeldde dat het daarmee goed ging, dat hij niet meer hoefde terug te komen bij de longarts en dat hij daarvoor geen medicijnen meer gebruikte, ziet de Raad met Rombout geen grond voor een andere andere conclusie dan dat ten aanzien daarvan geldt dat sprake is van een andere ziekteoorzaak in de zin van artikel 37 van de WAO.

6.3. Wat betreft de medische geschiktheid van de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft de Raad geen aanleiding gezien om over de uitvoerige motivering van de rechtbank over de aanvaardbaarheid van die functies, waarbij de rechtbank onder andere heeft gewezen op de toelichtingen in de arbeidskundige rapporten van 5 juni en 6 november 2008, tot een ander oordeel te komen. De Raad tekent daarbij aan dat namens appellant ook wat de functies betreft de eerder voorgedragen gronden in essentie zijn herhaald. Wat betreft de functie parkeercontroleur merkt de Raad overigens nog op dat deze volgens het arbeidskundig rapport van 6 november 2008 niet meer aan de schatting ten grondslag ligt.

6.4. De overwegingen 6.1 tot en tot en met 6.4 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H. Bolt en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. de Moor.

GdJ