Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
11-3368 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. Zoals ook namens de Svb ter zitting is beaamd, betreft verzoek enerzijds een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, betrekking hebbend op de peildata van de vier kwartalen in 2008 en op het eerste kwartaal van 2009. Ten aanzien van de kwartalen gelegen na het eerste kwartaal van 2009 heeft het verzoek anderzijds het karakter van een aanvraag om kinderbijslag. Derhalve dient een onderscheid te worden gemaakt tussen deze twee tijdvakken. Door de Svb en de rechtbank is het onderscheid tussen de twee tijdvakken niet gemaakt. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging bestreden besluit. Met betrekking tot de vier kwartalen in 2008 en het eerste kwartaal in 2009 is het verzoek terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit. Omdat appellante geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft gemeld mocht de Svb de aanvraag van appellante op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afwijzen. Ten aanzien van de kwartalen gelegen na het eerste kwartaal in 2009 kon appellante geen aanspraak maken op kinderbijslag. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3368 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2011, 10/3658 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 20 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante woont in Marokko met haar kinderen. De echtgenoot van appellante is [in] 2000 in Marokko overleden. Op 7 november 2007 heeft appellante de Svb verzocht om kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar in Marokko wonende kinderen omdat haar nabestaandenuitkering niet voldoende is. Bij besluit van 20 november 2007 heeft de Svb met ingang van het vierde kwartaal van 2006 deze aanvraag afgewezen omdat appellante niet verzekerd is voor de AKW.

1.2. Op 25 februari 2009 heeft appellante wederom een aanvraag om kinderbijslag ingediend. Bij besluit van 12 maart 2009 heeft de Svb meegedeeld dat appellante niet verzekerd is voor de AKW en geen recht heeft op kinderbijslag. Daarbij heeft de Svb aangegeven dat degenen die in Nederland wonen of werken, normaal gesproken verzekerd zijn voor de AKW. Omdat appellante in Marokko woont is zij niet verzekerd. Voorts is door de Svb aangegeven dat appellante ook geen verzekering kan ontlenen aan de overgangsregeling inhoudende dat verzekerden toch verzekerd blijven voor de AKW, zolang hun jongste kind nog geen 18 jaar is en voor dit kind in het vierde kwartaal van 1999 recht bestond op kinderbijslag. Nu appellante geen recht had op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1999, is de overgangsregeling niet van toepassing.

1.3. Nadien heeft appellante wederom bij brief van 21 april 2009 een aanvraag om kinderbijslag ingediend. Onder verwijzing naar het besluit van 12 maart 2009, heeft de Svb bij besluit van 5 mei 2009 appellante onder meer meegedeeld dat zij geen recht heeft op kinderbijslag in Nederland omdat ze niet woont of werkt in Nederland. De Svb heeft daaraan toegevoegd dat het geen onder meer enkele zin heeft steeds opnieuw een aanvraag om kinderbijslag in te dienen.

1.4. Bij brieven van 22 juni 2009 en 6 oktober 2009 heeft appellante weer om kinderbijslag verzocht. Deze aanvragen zijn door de Svb opgevat als verzoeken om terug te komen van het besluit van 12 maart 2009. In verband met het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden over de periode van 1 januari 2008 tot 1 april 2009 is bij besluit van 30 november 2009 het verzoek om herziening afgewezen.

1.5. Appellante heeft bij brief van 26 januari 2010 opnieuw een aanvraag om kinderbijslag ingediend. Deze brief is opgevat als een bezwaarschrift tegen het besluit van 30 november 2009. Ook tijdens de bezwaarfase heeft appellante aanvragen ingediend om kinderbijslag bij brieven van 19 april 2010 en 3 juni 2010. Bij besluit op bezwaar van 17 juni 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2009 ongegrond verklaard, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen op grond waarvan teruggekomen dient te worden van het eerdere besluit van 12 maart 2009.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 september 2006, LJN AY9220, stelt de Raad voorop dat, gelet op het systeem van de kwartaalsgewijze beoordeling van de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de AKW, appellantes - herhaalde - verzoeken om kinderbijslag, zoals neergelegd in haar brieven van 22 juni 2009 en 6 oktober 2009, een tweeledig karakter hebben. Zoals ook namens de Svb ter zitting is beaamd, betreft het enerzijds een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 maart 2009, betrekking hebbend, mede gelet op artikel 14, derde lid, van de AKW, op de peildata van de vier kwartalen in 2008 en op het eerste kwartaal van 2009, zoals deze ook zijn genoemd in het besluit van 30 november 2009. Ten aanzien van de kwartalen gelegen na het eerste kwartaal van 2009 heeft het verzoek anderzijds het karakter van een aanvraag om kinderbijslag. Derhalve dient een onderscheid te worden gemaakt, gelet op appellantes verzoek, tussen deze twee tijdvakken.

3.1.2. De Raad constateert dat bij het nemen van, respectievelijk de beoordeling van het bestreden besluit, de Svb respectievelijk de rechtbank dit onderscheid tussen deze twee tijdvakken niet heeft gemaakt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven, nu deze ten dele gebaseerd zijn op een onjuiste grondslag. De Raad heeft echter aanleiding gevonden, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand te laten.

3.2.1. De Raad stelt vast dat de Svb bij het besluit van 12 maart 2009 gemotiveerd heeft waarom appellante niet verzekerd is voor de AKW. Tegen dit besluit heeft zij geen rechtsmiddelen aangewend waardoor dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Gelet op haar aanvragen nadien, die met betrekking tot de vier kwartalen in 2008 en het eerste kwartaal in 2009 terecht zijn opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 maart 2009, is de Raad niet gebleken dat, in vergelijking tot de informatie die al bekend was ten tijde van het nemen van het eerder afwijzend besluit, sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Appellante heeft volstaan met het steeds op dezelfde wijze doen van nieuwe aanvragen zonder nieuwe feiten of omstandigheden te vermelden. Gelet hierop mocht de Svb de aanvraag van appellante bij besluit van 30 november 2009 op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afwijzen.

3.2.2. Ten aanzien van de kwartalen gelegen na het eerste kwartaal in 2009 moet beoordeeld worden of appellante aanspraak kan maken op kinderbijslag ingevolge de AKW. Zoals ter zitting nader namens de Svb is toegelicht, zijn de feiten en omstandigheden ten aanzien van deze kwartalen nog precies dezelfde als voordien. De Raad stelt vast dat appellante woont noch werkt in Nederland, zodat zij niet verzekerd is op grond van artikel 6, eerste lid, van de AKW. Voorts kan appellante geen verzekering ontlenen aan het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (hierna: KB 746), omdat vaststaat dat appellante over het vierde kwartaal in 1999 geen recht had op kinderbijslag voor haar kinderen. Hierdoor kan zij geen beroep doen op de overgangsbepaling zoals opgenomen in artikel 27, eerste lid, van het KB 746. Dit brengt mee dat appellante ten aanzien van de kwartalen gelegen na het eerste kwartaal van 2009 geen aanspraak kan maken op kinderbijslag.

4. Er is niet kunnen blijken van aan de zijde van appellante gemaakte proceskosten die voor vergoeding door de Svb in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 153,- ( € 41,- en € 112,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

NW

III. BESCHEID

Der Centrale Raad van Beroep,

Entscheidet:

Vernichtet den angegriffenen Urteilsspruch;

Erklärt die Berufung für begründet und vernichtet das bestrittene Urteil.

Bestimmt, dass die Rechtsfolgen des vernichteten Urteils sich halten;

Bestimmt, dass die SVb der Berufungsklägerin die bezahlten Kanzleigebühren für die Berufung in erster und zweiter Instanz in Höhe von € 153,- (€41,- und € 112,-) erstattet.

Dieses Urteil wurde gesprochen von J.W. Schuttel, in Anwesenheit von G.J. van Gendt als Protokollführer. Die Entscheidung wurde in der Öffentlichtkeit am 20 april 2012 verkündet.