Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
10-5514 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om zuiver schadebesluit. Gelet op de weersgesteldheid in de betreffende periode en de uitgestrektheid van het wegenstelsel in het gebied behorende bij de legerbasis is onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat de minister in zijn zorgplicht voor het personeel te kort is geschoten doordat hij in die periode geen zout meer heeft laten strooien. Van de bestuurder van een motorvoertuig, die over een rijbewijs moet beschikken, mag onder de omstandigheden van dit geval worden verwacht dat hij ook bij gladheid in staat is om een gevarenpunt veilig te naderen. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn gebruik te maken van de hem gegeven discretionaire bevoegdheid om de schade te vergoeden op grond van artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 115, geldigheid: 2012-04-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/124

Uitspraak

10/5514 MAW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 september 2010, 10/2604 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 5 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. van Breet. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Jellema.

II. OVERWEGINGEN

1. Het geding bij de rechtbank, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant, destijds soldaat der eerste klasse, is op 12 januari 2009 in de ochtend met zijn eigen personenauto van de Generaal Winkelman kazerne op de Harskamp naar het naastgelegen oefen- en schietterrein gereden om deel te nemen aan een oefening. Op een T-splitsing is hij in verband met het gladde wegdek ter plekke rechtdoor gereden en met zijn auto tegen een boom aangereden. Dit had aanzienlijke schade aan de auto als gevolg.

2.2. Bij brief van 17 maart 2009 heeft appellant de minister verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor de ten gevolge van voormeld ongeval door hem geleden schade en hem deze te vergoeden. Daarbij is aangevoerd dat de minister is tekortgeschoten in het nemen van maatregelen tegen de gladheid nu het betrokken weggedeelte niet (met zout) was bestrooid of was afgesloten en geen waarschuwing was uitgegaan.

2.3. Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 2 maart 2010 (bestreden besluit) heeft de minister het besluit van 28 oktober 2009 na door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad heeft in inmiddels vaste rechtspraak (CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072 en TAR 2000, 112) als norm geformuleerd dat de ambtenaar - voor zover dit niet reeds voortvloeit uit van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften - recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de schade is ontstaan bij de vervulling van de aan appellant opgedragen dienst. In geschil is wel - in de eerste plaats - of de minister in dit geval zijn hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.

4.3. Door de minister is aangevoerd en door appellant is niet betwist dat op de bewuste weg op 5 januari 2009 drie keer, op 6 januari 2009 twee keer en op 7 januari 2009 een keer met zout is gestrooid ter bestrijding van gladheid. In de periode tussen 6 januari 2009 en het tijdstip van het ongeval heeft het niet meer gesneeuwd. Gelet op de weersgesteldheid in die periode en de uitgestrektheid van het wegenstelsel in het gebied behorende bij de legerbasis Harskamp is onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat de minister in zijn zorgplicht voor het personeel te kort is geschoten doordat hij in die periode geen zout meer heeft laten strooien. Verder is van belang dat op 150 meter afstand van de T-splitsing waar het ongeval plaatsvond, een verkeersbord is geplaatst waarop is aangegeven dat een gevaarlijke kruising wordt genaderd. Bovendien was de overzijde van de T-splitsing gemarkeerd door een roodwit-geblokt hek. Van de bestuurder van een motorvoertuig, die over een rijbewijs moet beschikken, mag onder deze omstandigheden worden verwacht dat hij ook bij gladheid in staat is om zo’n gevarenpunt veilig te naderen.

4.4. Partijen worden verder nog verdeeld gehouden door de vraag of de minister niet naar billijkheid een vergoeding van de schade had behoren te verlenen op grond van artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement. In dat verband is van belang zoals in de aangevallen uitspraak terecht is overwogen, dat appellant geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn gebruik te maken van de hem bij genoemd artikel gegeven discretionaire bevoegdheid.

Hierbij wordt aangetekend dat de omvang van de schade ongetwijfeld mede een gevolg is van het rijgedrag van appellant. Hierbij gaat de Raad af op de eerste verklaring van appellant over het ongeval; zo’n verklaring is volgens vaste rechtspraak in het algemeen als het meest betrouwbaar te beschouwen. Deze verklaring houdt in dat appellant (in de schemering) “op eens” de T-splitsing ontwaarde en toen 60 tot 70 kilometer per uur reed. Aannemelijk is dat bij deze snelheid het ongeval (vrijwel) onontkoombaar was. Appellant reed met deze snelheid hoewel hij wist dat hij op weg was naar de T-splitsing en had gezien dat er nog platgereden sneeuw op de weg lag, reden waarom hij de versnellingsbak in de sneeuwstand had gezet.

4.5. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R. Schuurman.

HD