Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
10-2219 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijzondere bijstand en terugvordering. De kosten waarvoor bijzondere bijstand was gevraagd en toegekend hebben zich uiteindelijk niet voorgedaan, zodat - achteraf bezien - de bijzondere bijstand ten onrechte is verleend. Dit is dus niet het gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante wegens het niet tijdig melden aan het college dat de deelnemersbijdrage aan haar was terugbetaald. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging van het bestreden besluit voor zover het de intrekking betreft. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. Uit het toekenningsbesluit had appellante kunnen en moeten afleiden dat zij de bijzondere bijstand niet voor een ander doel dan voor de kosten van de leergang mocht aanwenden. De rechtsgevolgen van vernietigde gedeelte van het bestreden besluit blijven in stand. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet het gehele bedrag aan bijzondere bijstand heeft kunnen terugvorderen.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 54, geldigheid: 2012-04-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/142

Uitspraak

10/2219 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2010, 09/5708 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Mous, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het college aan appellante toestemming verleend om met behoud van uitkering de leergang kunst in de samenleving van Kunstenaars & Co (leergang) te volgen. Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft het college aan appellante bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van de deelnemersbijdrage van de leergang tot een bedrag van € 1.950,--.

1.2. Bij brief van 12 februari 2009 heeft Kunstenaars & Co appellante meegedeeld dat haar deelname aan de leergang met onmiddellijke ingang is beëindigd. De deelnemersbijdrage van € 1.950,-- is op de rekening van appellante teruggestort.

1.3. Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft het college de bijzondere bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand van appellante met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de WWB onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt door niet aan het college te melden dat de deelnemersbijdrage van de leergang aan haar is teruggestort. Hierdoor heeft appellante ten onrechte een bedrag van € 1.950,-- aan bijzondere bijstand ontvangen.

1.4. Bij besluit van 3 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 27 augustus 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante het college niet terstond op de hoogte heeft gebracht van het feit dat het voor de leergang betaalde bedrag aan haar was geretourneerd of van het feit dat appellante dit bedrag voor een ander doel heeft aangewend. Voorts is niet gesteld of gebleken dat appellante bij het college heeft geïnformeerd of zij dit bedrag mocht houden en naar eigen inzicht aan haar re-integratie mocht besteden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante hiermee de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, op grond waarvan het college bevoegd was om het recht op bijzondere bijstand te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijzondere bijstand van appellante terug te vorderen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college bevoegd was de bijzondere bijstand in te trekken, aangezien zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Voorts heeft appellante aangevoerd dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering, aangezien zij de bijzondere bijstand heeft gebruikt voor het doel waarvoor deze is verstrekt, namelijk haar re-integratie. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat haar bij de toekenning van de bijzondere bijstand duidelijk had moeten worden gemaakt dat de gelden niet voor een ander doel mochten worden besteed. De rechtbank heeft om die reden ten onrechte geoordeeld dat geen sprake was van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit het besluit van 20 oktober 2008 blijkt dat het college appellante bijzondere bijstand heeft verleend ter bekostiging van de deelnemersbijdrage van de leergang. Vaststaat dat appellante de bijzondere bijstand voor dit doel heeft gebruikt. Vaststaat evenzeer dat appellante in verband met de voortijdige beëindiging van de leergang het volledige bedrag van de deelnemersbijdrage op enig moment terug heeft gekregen. De kosten waarvoor bijzondere bijstand was gevraagd en toegekend hebben zich uiteindelijk dus niet voorgedaan, zodat - achteraf bezien - de bijzondere bijstand ten onrechte is verleend. Dit is dus niet het gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante wegens het niet tijdig melden aan het college dat de deelnemersbijdrage aan haar was terugbetaald. Dit brengt mee dat het college bij het bestreden besluit de intrekking ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover het de intrekking betreft. De Raad zal voorts beoordelen of er aanleiding is te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven. De Raad zal verder een oordeel geven over de terugvordering.

4.2. Uit 4.1 volgt dat de bijzondere bijstand anderszins ten onrechte is verleend, zodat het college ingevolge artikel 54 derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd was de bijzondere bijstand van appellante in te trekken.

4.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. Zoals blijkt uit het besluit van 20 oktober 2008 was de bijzondere bijstand niet in algemene zin verleend ten behoeve van de re-integratie van appellante, maar was deze specifiek toegekend voor de betaling van de kosten van de leergang. Het is niet aan appellante om de bijzondere bijstand eenzijdig naar eigen inzicht voor een ander doel aan te wenden dan waarvoor deze is verstrekt. Dat appellante meent dat zij, doordat zij de terugontvangen gelden heeft aangewend voor de productie van haar kunstboek, de leergang op eigen kracht heeft afgemaakt, maakt dit niet anders. Uit het besluit van 20 oktober 2008 had appellante kunnen en moeten afleiden dat zij de bijzondere bijstand niet voor een ander doel dan voor de kosten van de leergang mocht aanwenden.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven.

4.5. Uit 4.4 volgt dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de ten onrechte verstrekte bijstand van appellante terug te vorderen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet het gehele bedrag aan bijzondere bijstand heeft kunnen terugvorderen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 874,-- in beroep en € 437,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.311,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 november 2009 gegrond;

- vernietigt dit besluit, voor zover het betreft de intrekking van de bijzondere bijstand;

- bepaalt dat de rechtgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.311,--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 147,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

IJ