Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3643

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
10-5468 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Er is geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten, dan wel de uitkomst daarvan voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5468 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2010, 10/303 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 18 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wintjes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 29 mei 2009 ziek gemeld met pijnklachten in de linkerlies. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant twee maal het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Na een lichamelijk onderzoek op het spreekuur van 1 december 2009, waarbij geen afwijkingen zijn gevonden, is de verzekeringsarts T. Pols tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 8 december 2009 geschikt kon worden geacht voor zijn laatst verrichte werk als schoonmaker. Bij besluit van 1 december 2009 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 8 december 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts R.M.J. Janssens heeft het Uwv bij besluit van 5 januari 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 december 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 4 januari 2010 en 9 april 2010.

3. In hoger beroep voert appellant aan dat het Uwv niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom, gelet op de aanmerkelijke (duur)belastingen in zijn laatst verrichte arbeid, zijn belastbaarheid niet wordt overschreden. Er is bij appellant sprake van een impingement van de linkerheup, waarvan aannemelijk is dat deze al in december 2009 aanwezig was. Ter onderbouwing hiervan legt appellant een tweetal brieven over van de orthopedisch chirurg M.P. Heijboer van 28 oktober 2010 en 22 februari 2012.

4.1. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.3. De Raad ziet geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten, dan wel de uitkomst daarvan voor onjuist te houden. Daarbij acht de Raad van belang dat de bezwaarverzekeringsarts Janssens het dossier heeft bestudeerd en appellant op het spreekuur van 16 december 2009 lichamelijk heeft onderzocht. Daarbij had zij de beschikking over de opgevraagde informatie van de huisarts van appellant van 21 december 2009, waaruit blijkt dat appellant vanaf oktober 2009 onder behandeling is gekomen bij een pijnpoli, maar bij onderzoek geen palpabele afwijkingen zijn gevonden en de passieve beweeglijkheid van de heup en lies verder goed was. In het rapport van 4 januari 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat uit deze informatie niet blijkt dat appellant op medische gronden niet geschikt zou zijn voor zijn laatst verrichte arbeid. Tevens heeft ook zij bij het lichamelijk onderzoek geen functiebeperkingen aan de heup kunnen vaststellen, waarbij het dragen van een TENS-apparaat het verrichten van schoonmaakwerk niet verhindert, hetgeen ook geldt voor de door appellant gebruikte medicatie. In het rapport van 7 april 2010 heeft de bezwaararbeidsdeskundige P.J. Schaap een uitgebreid en duidelijk beeld gegeven van de aard en de zwaarte van de specifieke werkzaamheden verbonden aan de functie van schoonmaker. Met inachtneming van deze belasting heeft bezwaarverzekeringsarts Janssens de medische situatie van appellant nogmaals beoordeeld en heeft in het rapport van 9 april 2010 te kennen gegeven dat geen medische argumenten bestaan om appellant niet geschikt te achten voor zijn laatst verrichte werk als schoonmaker. De in hoger beroep overgelegde informatie van de orthopedisch chirurg maakt dat naar het oordeel van de Raad niet anders. Weliswaar blijkt uit deze informatie dat de orthopedisch chirurg op 16 januari 2012 functieafwijkingen heeft vastgesteld, maar daaruit volgt niet zonder meer – zoals ook de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft gesteld – dat de hieruit voortvloeiende beperkingen al op de datum hier in geding, te weten 8 december 2009, aanwezig waren. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat zowel de verzekeringsarts Pols als de bezwaarverzekeringsarts Janssens op respectievelijk 1 december 2009 en 16 december 2009 dus rond de datum in geding geen functiebeperking aan de linkerheup hebben kunnen vaststellen. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv op juiste gronden het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 8 december 2009 heeft beëindigd.

4.4. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012.

(get.) J. Riphagen.

(get.) K.E. Haan.

KR