Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
10-213 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Geen sprake van gewijzigde omstandigheden. Een eerdere afwijzende beslissing, waarin is neergelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer, is in rechte onaantastbaar geworden. De beroepsgronden van appellant dat hij eigenlijk in januari 2009 al recht had op bijstand, dat hij toen geen gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer en dat er dus bij de nieuwe aanvraag per latere datum ook geen sprake hoefde te zijn van gewijzigde omstandigheden, slagen dan ook niet. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/213 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2009, 09/3623 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 10 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Appellant en zijn gemachtigde zijn, zoals bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Boegborn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 23 februari 2009 heeft het college de aanvraag van appellant om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand met ingang van 16 januari 2009 afgewezen op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer. Bij besluit op bezwaar van 24 april 2009 heeft het college het besluit van 23 februari 2009 gehandhaafd.

1.2. Appellant heeft op 17 juni 2009 een nieuwe aanvraag om bijstand gedaan. Die aanvraag is bij besluit van het college van 6 juli 2009 afgewezen. Bij besluit van 4 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juli 2009 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op het standpunt van het college dat er bij de nieuwe aanvraag ten aanzien van appellant geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden naar voren zijn gekomen, zodat de nieuwe aanvraag - analoog aan het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht - kan worden afgewezen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit van 23 februari 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij nooit een rechtsmiddel heeft aangewend tegen het afwijzende besluit van 23 februari 2009 en dat hij simpelweg een nieuwe aanvraag heeft ingediend om bijstand met ingang van een latere datum. Appellant is van mening dat hij (eigenlijk) in januari 2009 al recht op bijstand had, wat toen ten onrechte niet is onderkend, en dat het college in het kader van zijn nieuwe aanvraag had moeten beslissen dat hij nog steeds recht op bijstand had.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak ligt het, indien een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de belanghebbende een nieuwe aanvraag om bijstand indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.2. Anders dan appellant stelt, heeft hij tegen het besluit van 23 februari 2009 wel een rechtsmiddel aangewend. Hij heeft immers bezwaar gemaakt. Tegen het op dat bezwaar genomen besluit van 24 april 2009 is geen beroep ingesteld. De afwijzende beslissing, waarin is neergelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer, is daardoor in rechte onaantastbaar geworden. De beroepsgronden van appellant dat hij eigenlijk in januari 2009 al recht had op bijstand, dat hij toen geen gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer en dat er dus bij de nieuwe aanvraag per latere datum ook geen sprake hoefde te zijn van gewijzigde omstandigheden, slagen dan ook niet.

4.3. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat noch uit de aanvraag van appellant van 17 juni 2009, noch uit de in het kader van de behandeling van deze aanvraag door appellant op 25 juni 2009 afgelegde verklaring of uit het op die datum afgelegde huisbezoek is gebleken van gewijzigde omstandigheden als bedoeld onder 4.1. Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat het college de afwijzende beslissing op de aanvraag van 17 juni 2009 bij het bestreden besluit op goede gronden heeft gehandhaafd.

4.4. Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

HD