Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3532

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
10/6017 WUBO + 10/6018 WUV + 11/6637 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wubo-uitkering. Afwijzing periodieke uitkering op grond van de Wuv. De bestreden besluiten zijn voldoende medisch onderbouwd. Door verweerder is terecht geconcludeerd dat bij appellante ten tijde in geding geen sprake was van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo en evenmin van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten in de zin van de Wuv. (voor uitspraak tot rectificatie zie ook LJN BX3127)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6017 WUBO

10/6018 WUV Gerectificeerde uitspraak

11/6637 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

en

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak 12 april 2012.

PROCESVERLOOP

Deze gedingen, die aanvankelijk zijn gevoerd door de Raadskamer WUV en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), zijn in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV en Raadskamer WUBO van de PUR.

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 oktober 2010, kenmerk BZ01203800 (bestreden besluit 1). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze gemachtigde heeft eveneens beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 oktober 2010, kenmerk BZ01203753 (bestreden besluit 2), waarbij toepassing is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Wuv). Bij besluit van 27 oktober 2011 heeft verweerder een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingangsdatum van de bij bestreden besluit 2 op grond van de Wuv toegekende voorzieningen.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Namens appellante is verschenen mr. Van Berkel, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft in april 2009 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor aanspraken op grond van de Wuv of de Wubo, al naar gelang het gunstigste voor haar is. Bij besluiten van 30 juli 2009 is hierop afwijzend beslist.

1.2. Nadat appellante bezwaar had gemaakt tegen de onder 1.1 genoemde besluiten is zij onderzocht door de psychiater A. Novac, die op 2 september 2010 een rapport heeft uitgebracht.

1.3. Bij bestreden besluit 1 is het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betreft de erkenning als oorlogsgetroffene. Aanvaard is dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo op grond van het door haar ondergane stadsarrest in Dobo. Omdat echter geen sprake was van blijvende invaliditeit door de met de oorlogservaringen in verband staande psychische klachten van appellante, is de afwijzing gehandhaafd.

1.4. Bij bestreden besluit 2 is het bezwaar deels gegrond verklaard en is aan appellante met ingang van 1 april 2009 een aantal voorzieningen op grond van de Wuv toegekend. Haar aanvraag om een periodieke uitkering is hierbij afgewezen op de grond dat haar psychische klachten niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van haar leeftijdgenoten.

2.1. In het kader van de Wubo is namens appellante aangevoerd dat zij wel blijvend geïnvalideerd is door het oorlogsgeweld, gezien de bevindingen en conclusies van de psychiater Novac, en voorts dat ten onrechte geen informatie is ingewonnen bij de behandelend artsen. Ook de hart- en vaatklachten van appellantee zouden zijn veroorzaakt door het oorlogsgeweld.

2.2. In het kader van de Wuv is de ingangsdatum van de verstrekte voorzieningen, zoals gewijzigd bij het nadere besluit van 27 oktober 2011, niet langer in geschil.

Appellante wil in aanmerking worden gebracht voor een periodieke uitkering op grond van de Wuv.

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met het besluit van verweerder van 27 oktober 2011 is wijziging gebracht in bestreden besluit 2. Nu met dit nadere besluit niet geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet wordt gekomen, wordt dit beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen dit besluit.

4.2. Bij de bestreden besluiten is op grond van - anders dan namens appellante gesteld wel ingewonnen - informatie van de cardioloog het standpunt ingenomen dat de hart- en vaatklachten van appellante (ritmestoornissen vanaf 1995 en hyperlipidemie) niet in verband staan met haar oorlogservaringen, maar constitutioneel bepaalde aandoeningen zijn. Voor de grief van appellante dat dit standpunt onjuist zou zijn, is geen enkele medische onderbouwing gegeven. Die grief treft dan ook geen doel.

4.3. Op grond van het onder 1.2 genoemde rapport van de psychiater Novac heeft de geneeskundig adviseur R.J. Roelofs het standpunt ingenomen dat de angststoornis (een incompleet PTSS-beeld) die door de psychiater Novac is geconstateerd gerelateerd moet worden aan een tweetal traumatische ervaringen van appellante gedurende haar verblijf op het eiland Dobo tijdens de Japanse bezetting. De door de psychiater vastgestelde, uit deze angststoornis voortvloeiende beperkingen betreffen moeite om met activiteiten te beginnen (motivatie, uitstel) en het nerveus/schrikachtig reageren bij harde geluiden, plotselinge aanrakingen en dergelijke. Het motivatiegebrek, dat appellante haar hele leven al heeft, heeft haar nooit gehinderd in haar werk, uitvoeren van huishoudelijke taken, hobby’s en dergelijke zodat volgens deze geneeskundig adviseur niet van een beperking kan worden gesproken. De beperking in de stress-adaptatie heeft nauwelijks praktische impact op het functioneren, zodat van een beperking in die rubriek naar zijn mening evenmin kan worden gesproken.

4.4. De Raad acht de bestreden besluiten op grond van de onder 1.2 en 4.3 genoemde rapporten voldoende medisch onderbouwd. Over de psychiatrische diagnose bestaat geen verschil van mening tussen de psychiater en de geneeskundig adviseur. Naar mededeling ter zitting van de gemachtigde van verweerder heeft recent alsnog van de huisarts van appellante verkregen informatie geen bijzonderheden opgeleverd die niet zijn vermeld in het rapport van psychiater Novac. In het geheel van de beschikbare gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden om de beperkingen van appellante onderschat te achten. Weliswaar concludeerde Novac tot de aanwezigheid van lichte tot matige beperkingen in twee van de vier levenssferen, maar door de geneeskundig adviseur Roelofs is voldoende overtuigend onderbouwd dat de uit de psychische klachten voortvloeiende beperkingen in elk geval van lichte aard zijn en slechts in één levenssfeer zijn onder te brengen, namelijk adaptatie aan stressvolle omstandigheden. Gezien alle beschikbare gegevens is niet aannemelijk dat appellante beperkt was in concentratie, tempo en doorzettingsvermogen. Zoals ook uit de beschrijvingen in het rapport van Novac blijkt, functioneerde appellante goed in haar werk, had ze een goed sociaal leven en had ze ten tijde hier in geding geen beperkingen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, hobby’s en dergelijke. Ook de af en toe voorkomende schrikreacties belemmerden appellante niet in haar sociaal leven en bij andere bezigheden. De zogenoemde GAF-score van appellante kwam bij het onderzoek door Novac uit op 80, hetgeen ook wijst op (slechts) lichte beperkingen.

4.5. Gezien hetgeen onder 4.4 is overwogen en nu er ook overigens geen aanleiding is gevonden om de bestreden besluiten niet houdbaar te achten, is door verweerder terecht geconcludeerd dat bij appellante ten tijde in geding geen sprake was van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo en evenmin van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten in de zin van de Wuv. Dit betekent dat bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2, zoals gewijzigd bij besluit van 27 oktober 2011, in rechte stand kunnen houden.

5. Het verzoek om vergoeding van schade wegens de lange duur van de procedure wordt afgewezen, nu binnen twee-en-een-half jaar na het maken van bezwaar uitspraak wordt gedaan (CRvB 9 april 2009, LJN BI2179).

6. Gezien de nadere vaststelling van de ingangsdatum van de verstrekte voorzieningen op grond van de Wuv hangende de behandeling van het beroep, is er aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellante in beroep in de Wuv-procedure tot een bedrag van € 874,- wegens beroepsmatig verleende bijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2010 met betrekking tot de Wubo

ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2010 met betrekking tot de Wuv,

zoals gewijzigd bij besluit van 27 oktober 2011, ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellante tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan

de griffier van de Raad;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar in beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J. van Dam.

PH