Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3514

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
10-1297 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke terugvordering werkdeel WWB 2006. De staatssecretaris heeft zich, bezien vanuit de systematiek van het verantwoording afleggen en de daarbij gehanteerde rapportagetolerantie, op het standpunt kunnen stellen dat, indien sprake is van financiële onzekerheid die de rapporteringstolerantiegrens te boven gaat, dit tot gevolg heeft dat de besteding niet althans niet met zekerheid kan worden verantwoord, zodat sprake is van een onrechtmatige besteding. De financiële onzekerheid is met het aanvullende rapport van de accountant niet opgeheven. De staatssecretaris heeft zich dan ook op goede gronden gehouden geacht het bedrag van € 337.881,-- van appellant terug te vorderen. Geen aanleiding voor matiging. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de door de staatssecretaris gehanteerde grondslagen voor de terugvordering voor appellant niet kenbaar waren en om die reden niet onverkort mogen worden gehanteerd. Geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 69, geldigheid: 2012-04-17
Wet werk en bijstand 70, geldigheid: 2012-04-17
Wet werk en bijstand 77, geldigheid: 2012-04-17
Besluit accountantscontrole decentrale overheden 2, geldigheid: 2012-04-17
Besluit accountantscontrole decentrale overheden 5, geldigheid: 2012-04-17
Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ 2, geldigheid: 2012-04-17
Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten 58a, geldigheid: 2012-04-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/174
RSV 2012/146

Uitspraak

10/1297 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Oss (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 januari 2010, 08/3303 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2012. Voor appellant zijn verschenen drs. W.F.A. Eiselin en

M.J. van der Pas. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en M. Bochalatti.

II. OVERWEGINGEN

1. Onder de staatssecretaris wordt in deze uitspraak ook begrepen diens rechtsvoorganger de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Op 10 juli 2007 heeft de staatssecretaris de door appellant voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand (WWB) over het vergoedingsjaar 2006 bij de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties ingediende verantwoordingsinformatie ontvangen met de bijlage bij de jaarrekening als bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Deze bijlage bevat een verslag van bevindingen met bijbehorende accountantsverklaring van Deloitte Accountant B.V. (Deloitte). In het verslag van bevindingen heeft Deloitte ten aanzien van de uitvoering van het zogeheten werkdeel van de WWB, door extrapolatie op basis van interne controle, gerapporteerd dat over een bedrag van € 337.881,-- van de lasten van € 5.796.025,-- onzekerheid bestaat.

2.2. Bij besluit van 7 mei 2008 heeft de staatssecretaris op grond van artikel 70, eerste lid, van de WWB een bedrag van

€ 337.881,-- van appellant teruggevorderd.

2.3. Bij besluit van 15 augustus 2008 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van

7 mei 2008 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat appellant ten laste van het werkdeel WWB 2006 uitgaven tot een bedrag van € 337.881,-- heeft gedaan waarvan de rechtmatigheid van de besteding niet in 2006 is verantwoord, zodat deze als onrechtmatig moeten worden aangemerkt en om die reden worden teruggevorderd.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De WWB luidde, voor zover en ten tijde hier van belang:

”Artikel 69

1. Onze Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college:

a. een uitkering voor de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, niet zijnde uitvoeringskosten;

(…)

Artikel 77

1. Het college dient jaarlijks bij Onze Minister een verslag in over de uitvoering van deze wet. Het verslag omvat mede een opgave van de door het college gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, en is voorzien van een verklaring van de accountant, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorschreven controle omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens en de rechtmatigheid van de uitvoering van de wet, alsmede van een oordeel van de gemeenteraad over de uitvoering van de wet.

2. (…)

3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het voorlopig verslag, het verslag en over de verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring. Deze regels kunnen voor categorieën van gemeenten verschillen, waarbij kan worden bepaald dat de verplichting het verslag te voorzien van een verklaring niet van toepassing is.

Artikel 70

1. Indien uit het verslag, bedoeld in artikel 77, eerste lid, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, niet volledig of onrechtmatig is besteed, wordt de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel teruggevorderd. Onze Minister doet binnen een jaar na ontvangst van het verslag mededeling van de terugvordering aan het college.

(…)”

Artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten luidt ten tijde hier van belang:

”1. Bij de jaarrekening is een bijlage gevoegd waarin verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen wordt verstrekt op basis van indicatoren.

2. Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister wie het aangaat, bij ministeriële regeling een model vast voor de in het eerste lid bedoelde bijlage en bepaalt daarbij over welke specifieke uitkeringen daarin verantwoordingsinformatie wordt opgenomen en welke indicatoren worden gebruikt.”

Artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001 luidde, voor zover en ten tijde hier van belang:

”1. Gedeputeerde staten en het college verstrekken de verantwoordingsinformatie over de uitvoering van de regeling van een specifieke uitkering aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de vorm waarin die informatie is opgenomen in:

a. de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 202, eerste lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 198, eerste lid, van de Gemeentewet;

b. de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 217, derde en vierde lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 213, derde en vierde lid, van de Gemeentewet.

(…)

4. De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar gezonden aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties brengt de informatie betreffende de specifieke uitkeringen onverwijld ter kennis aan Onze Ministers wie het aangaat.”

Artikel 2 van het Besluit accountantscontrole provincies en gemeenten (Bapg) luidde in 2007 als volgt:

”1. De accountant gebruikt ten behoeve van de oordeelsvorming over de jaarrekening van de provincie, bedoeld in artikel 217, derde lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk de jaarrekening van de gemeente, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet, de volgende goedkeuringstoleranties:

a. ten aanzien van fouten in de jaarrekening 1% van de omvangsbasis en

b) ten aanzien van onzekerheden in de controle 3% van de omvangsbasis.

(…)

Artikel 5 van het Bapg luidde in 2007 als volgt:

1. De bedragen voor de rapporteringstoleranties die de accountant hanteert ten behoeve van de rapportering in het verslag van bevindingen zijn de bedragen die voortvloeien uit de goedkeuringstoleranties.

(…)

4. In het verslag van bevindingen van de accountant wordt per specifieke uitkering gerapporteerd met een rapporteringstolerantie gebaseerd op de lasten van de specifieke uitkering in het verantwoordingsjaar of, bij meerjarige financiële afrekening op basis van prestatieafspraken, gebaseerd op het totale voorschot per specifieke uitkering, in alle gevallen met een ondergrens van te melden bevindingen van:

a. €10.000 indien de lasten kleiner of gelijk aan € 100.000 zijn;

b. 10% indien de lasten groter dan € 100.000 en kleiner dan of gelijk aan € 1.000.000 zijn;

c. € 100.000 indien de lasten groter dan € 1.000.000 zijn.”

Artikel 2 van de Regeling WWB (Regeling) luidde voor zover en ten tijde hier van belang als volgt:

”1. Als verslag over de uitvoering als bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de wet wordt aangemerkt de bijlage bij de jaarrekening met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten voorzover deze betrekking heeft op de wet.

2. Als verklaring van de accountant als bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de wet wordt aangemerkt de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, derde en vierde lid, van de Gemeentewet.”

De toelichting op de wijziging van onder meer voormeld artikel 2 van de Regeling WWB (Staatscourant 13 december 2006, nr. 243, p. 27) vermeldt het volgende:

”Invoering van sisa (single information en single adminsitration, toevoeging Raad) betekent onder meer dat gemeenten de voor de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) van belang zijnde informatie over de WWB, de IOAZ, de IOAZ, het Bbz 2004 en de WWIK verstrekken via de bijlage van de gemeentelijke jaarrekening.

(…)

Met de invoering van sisa is artikel 5 van het Besluit Accountantscontrole Provincies en Gemeenten (BAPG) gewijzigd, hetgeen betekent dat er specifieke rapporteringstoleranties gelden voor de accountant ten aanzien van de in de bijlage bij de gemeentelijke jaarrekening opgenomen informatie. Deze nieuwe rapporteringstoleranties hebben consequenties voor de terugvordering door SZW van onrechtmatig bestede gelden in het kader van het WWB-werkdeel (…)

(….)

Indien de rapporteringstolerantie per specifieke uitkering niet is overschreden, vindt derhalve geen terugvordering plaats. Indien de rapportagetolerantie wel is overschreden, vindt terugvordering plaats van het gehele onrechtmatig bestede bedrag.”

5.2. Anders dan appellant in hoger beroep heeft betoogd, is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris zich, bezien vanuit de systematiek van het verantwoording afleggen en de daarbij gehanteerde rapportagetolerantie, op het standpunt heeft kunnen stellen dat, indien sprake is van financiële onzekerheid die de rapporteringstolerantiegrens te boven gaat, dit tot gevolg heeft dat de besteding niet althans niet met zekerheid kan worden verantwoord, zodat sprake is van een onrechtmatige besteding.

5.3. Appellant heeft aangevoerd dat uit een aanvullend rapport van 10 juli 2008 van de accountant blijkt dat blijkens de door de gemeente aangeleverde review de indertijd geconstateerde tekortkomingen zijn opgespoord en hersteld.

Van belang is dat de accountant in zijn rapportage van 10 juli 2008 heeft gemeld dat op het reviewverslag geen accountantscontrole is toegepast en evenmin een beoordelingsopdracht is uitgevoerd, zodat volgens de accountant aan zijn rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid van het reviewverslag over de interne controle van het WWB-werkdeel 2006. Daaraan heeft de accountant toegevoegd dat indien hij aanvullende werkzaamheden zou hebben verricht of een controle- of beoordelingsopdracht zou hebben uitgevoerd, wellicht andere onderwerpen zouden zijn geconstateerd die voor rapportage in aanmerking zouden zijn gekomen. Reeds gelet hierop moet worden geoordeeld dat de financiële onzekerheid, waarover indertijd is gerapporteerd in het bij de gemeentelijke jaarrekening behorende accountantsrapport, niet is opgeheven. Daarbij wordt dan nog in het midden gelaten of, en zo ja, in welke mate een dergelijke reparatie na 15 juli 2007, de uiterste datum waarop de jaarrekening moest worden ingezonden, nog mogelijk zou zijn.

5.4. De staatssecretaris heeft zich dan ook op goede gronden met toepassing van artikel 70, eerste lid, van de WWB gehouden geacht het bedrag van € 337.881,-- van appellant terug te vorderen. De ter zitting door appellant nog bepleite matiging van de terugvordering wegens een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3 van het Besluit WWB treft geen doel, reeds omdat de daarin geregelde meeneem- en voorschotregeling werkdeel niet ziet op artikel 70, eerste lid, van de WWB.

5.5. De Raad volgt niet de stelling van appellant dat de door de staatssecretaris gehanteerde grondslagen voor de terugvordering voor appellant niet kenbaar waren en om die reden niet onverkort mogen worden gehanteerd. Zowel in de toelichting op de Regeling als in de aan alle colleges gerichte Verzamelbrief van 19 december 2006, onderdeel 2 met bijlage, is de systematiek van single information en single audit en de consequenties beschreven. Daarbij is vermeld dat het gehele onrechtmatig bestede bedrag wordt teruggevorderd, indien de rapportagetolerantie is overschreden. Ook in de Verzamelbrief van 18 september 2006, onderdeel 4, was al informatie verstrekt over de invoering van de single information en single audit en de daarbij te hanteren rapporteringstoleranties.

5.6. Appellant heeft erkend dat de dossiervorming en de administratieve routing niet op orde waren, maar stelt dat de gelden toch zijn besteed aan de personen voor wie deze bedoeld waren. In de gemeente Oss is, aldus appellant, de daling van het aantal bijstandsgerechtigden groter geweest dan in alle andere gemeenten. Daarom vindt appellant het uiterst onredelijk is dat het gehele bedrag waarover onzekerheid bestaat wordt teruggevorderd. In wat appellant heeft aangevoerd worden geen zeer bijzondere omstandigheden gezien, die de staatssecretaris ertoe hadden moeten brengen niet onverkort aan de toepassing van artikel 70, eerste lid, van de WWB vast te houden. Daarbij moet bedacht worden dat niet elke onzekerheid tot terugvordering leidt, maar dat het hier gaat om onzekerheden die de rapporteringstolerantiegrens overstijgen.

5.7. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

HD