Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
11-4179 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding omdat de terugvordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder. Het standpunt van appellant dat hij weer bijstand ontving toen het college de deurwaarder inschakelde, is niet juist. Dat de kosten van de deurwaarder hoog zijn in verhouding tot het teruggevorderde bedrag is niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat het college op grond daarvan kwijtschelding moet verlenen. Ook de gestelde schuldenproblematiek is niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat het college daarin aanleiding had moeten zien over te gaan tot kwijtschelding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4179 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2011, 11/1926 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. A.C. van Helvoort. Appellant is - zoals tevoren bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand, aanvankelijk op grond van de Algemene bijstandswet en vervolgens op grond van de Wet werk en bijstand. Aan hem is op 5 november 2000 een bedrag van f 5.185,50 als leenbijstand verstrekt, ter betaling van een huurschuld. In de akte van schuldbekentenis is opgenomen dat dit bedrag in nader te bepalen maandelijkse termijnen zal worden afbetaald, in te houden op de bijstand, en bij beëindiging van de bijstand door zelfstandige aflossing en dat bij niet tijdige voldoening van één of meer termijnen het restant van de lening direct en volledig opeisbaar is.

1.2. De bijstand van appellant is met ingang van 1 december 2004 beëindigd.

Vervolgens is appellant bij brieven van 9 februari 2005 en 9 september 2005 aangeschreven een bedrag van € 113,-- per maand af te betalen. Daarna heeft het college bij besluit van 12 juni 2006 een bedrag van € 1.198,61 van appellant teruggevorderd, terug te betalen in termijnen van € 113,-- per maand, op de grond dat appellant ten onrechte zijn terugbetalingsverplichtingen niet is nagekomen.

1.3. Bij brief van 19 december 2007 is appellant aangemaand aan zijn terugbetalingsverplichting te voldoen en is hij erop gewezen dat, indien betaling uitblijft, overgegaan zal worden tot beslaglegging, wat extra kosten met zich zal brengen. Nadat betaling uitbleef is de vordering in mei 2008 in handen gesteld van een deurwaarderskantoor.

1.4. Bij brief van 16 december 2010 heeft appellant aan het college verzocht om hem kwijtschelding te verlenen van het nog resterende terugvorderingsbedrag vanwege de periode die is verstreken sinds het ontstaan van de terugvordering en vanwege de nog bij hem bestaande schulden. Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college dit verzoek afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen voorwaarde dat de terugvordering niet mag zijn overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder. Het college heeft bij besluit van 8 maart 2011 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat in zijn geval een uitzondering moet worden gemaakt op de beleidsregel dat geen kwijtschelding wordt verleend indien de deurwaarder is ingeschakeld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de deurwaarder pas is ingeschakeld, toen hij alweer bijstand ontving, zodat het college het teruggevorderde bedrag door middel van inhouding op de bijstand had kunnen innen. Bovendien vindt hij de kosten van de deurwaarder hoog en niet in verhouding staan tot het nog resterende terugvorderingsbedrag. Appellant heeft verder, onder verwijzing naar de gronden in bezwaar en beroep, aangevoerd dat het college mede verantwoordelijk is voor het feit dat de vordering niet tijdig is geïnd en dat zijn schuldenproblematiek ernstig is.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Het standpunt van appellant dat hij weer bijstand ontving, toen het college de deurwaarder inschakelde is niet juist. Het college heeft de deurwaarder in mei 2008 ingeschakeld. Op dat moment ontving appellant geen bijstand. Uit de gedingstukken blijkt dat het college aan appellant met ingang van 12 augustus 2009 weer bijstand heeft toegekend.

4.2. Dat de kosten van de deurwaarder hoog zijn in verhouding tot het teruggevorderde bedrag is niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat het college op grond daarvan kwijtschelding moet verlenen. Appellant is zelf nalatig geweest door niet tijdig aan zijn afbetalingsverplichtingen te voldoen en door vanaf 2005 in het geheel niet te reageren op de betalingsverzoeken en ook niet op de aanmaning van 19 december 2007, waarin hij is gewezen op de extra kosten van de deurwaarder bij niet tijdige betaling.

4.3. Ook de gestelde schuldenproblematiek is niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat het college daarin aanleiding had moeten zien over te gaan tot kwijtschelding. De rechtbank heeft er in dit verband terecht op gewezen dat appellant beschermd wordt door de beslagvrije voet, die de hoogte van het invorderingsbedrag inperkt.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) B. Bekkers.

HD