Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
10-6883 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens een ernstig verstoorde werkrelatie. Consent kon zich op het standpunt stellen dat tussen partijen geen sprake meer was van werkbare verhoudingen. Verder kon Consent tot de conclusie komen dat er geen verandering is opgetreden en dat geen uitzicht bestond op een wel werkbare situatie tussen appellant en Consent. Consent kwam de bevoegdheid toe om appellant op de gehanteerde grond te ontslaan. In zoverre slaagt het hoger beroep niet. Toekenning van een eenmalige vergoeding van € 30.000,- en een aanbieding van een outplacementtraject, waarvan Consent de kosten geheel voor haar rekening neemt. Consent is in overwegende mate schuldig aan het ontstaan van het conflict door appellant niet die steun te geven, die in de gegeven omstandigheden op zijn plaats zou zijn geweest. De Raad voegt hieraan toe dat appellant die steun ook daarna niet heeft gekregen, zodat het voortbestaan van het conflict ook (deels) Consent valt aan te rekenen. De kans dat appellant in de nabije toekomst nog in het onderwijs werkzaam zal zijn, is (uiterst) gering te noemen. Het geheel overziend moet het aangeboden outplacementtraject en de door Consent toegekende vergoeding in de gegeven omstandigheden ontoereikend worden geacht. Vernietiging aangevallen uitspraak en bestreden besluit in zoverre. Zelf voorziend kent de Raad, aan appellant, in aanvulling op de reeds toegekende € 30.000,-, nog een bedrag van € 20.000,- toe. Omdat het aanbod tot outplacement door appellant nooit is aanvaard, geldt dit aanbod nog steeds.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/137
Module Ambtenarenrecht 2013/1444

Uitspraak

10/6883 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 10 november 2010, 09/1323 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Stichting Consent (Consent)

Datum uitspraak: 19 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Consent heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. van Brakel, advocaat. Consent heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Eillert, advocaat, en [B.].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken, waaronder de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 8 januari 2009 (LJN BG8844 en TAR 2009, 89), en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als groepsleerkracht op de openbare basisschool (obs) [naam obs] te [vestigingsplaats]. Op 3 februari 2005 heeft een moeder van een leerling zich tijdens een gesprek tussen appellant, de duoleerkracht van zijn groep en de directeur van de school in beschuldigende zin uitgelaten over het gedrag van appellant tegenover haar zoon en appellant toegevoegd pedofiele gedachten te hebben. In het bijzonder gebeurtenissen die zich na dit gesprek hebben voorgedaan hebben ertoe geleid dat appellant zich heeft ziek gemeld en dat kort daarna de directeur het vertrouwen in appellant heeft opgezegd. Nadat appellant in het najaar van 2005 niet op grond van ziekte, maar wel als gevolg van een toenemend conflict met zijn werkgever arbeidsongeschikt was geacht, heeft Consent appellant willen overplaatsen naar een andere onder haar gezag vallende school. Appellant heeft hieraan niet meegewerkt en tegen twee overplaatsingsbesluiten rechtsmiddelen aangewend. Uiteindelijk heeft Consent appellant disciplinair ontslagen wegens het geen gehoor geven aan oproepen zijn werkzaamheden op een andere school te hervatten.

1.2. In zijn uitspraak van 8 januari 2009 heeft de Raad onder meer geoordeeld dat Consent voorafgaande aan het voornemen appellant over te plaatsen niet adequaat heeft gehandeld en niet al het mogelijke heeft gedaan om verdere escalatie van het conflict tussen appellant en de directeur van de school te voorkomen. Als gevolg hiervan heeft de Raad zowel het in geding zijnde overplaatsingsbesluit als ook het ontslagbesluit vernietigd en de daaraan ten grondslag liggende primaire besluiten herroepen. Voorts heeft de Raad in die uitspraak het volgende overwogen:

“Uit het vorenstaande volgt dat appellant ten onrechte is ontslagen en dat hij dus nog steeds in dienst is van Consent. Het is primair aan Consent om zich te beraden over de stappen die thans gezet moeten worden. Gezien de inmiddels ontstane situatie en de opstelling van partijen in deze zaken komt het de Raad onaannemelijk voor dat er in de toekomst nog sprake zal kunnen zijn van een werkbare verhouding tussen appellant enerzijds en de directeur van obs [naam obs] en Consent anderzijds. Om die reden overweegt de Raad, ten overvloede, dat zich door de impasse die aldus is ontstaan, een situatie voordoet waarbij op grond van artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO PO ontslag kan worden verleend op grond van andere met name genoemde en aan de werknemer schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard, te weten een ernstig verstoorde werkrelatie. Ontslagverlening op grond van dit artikel dient volgens vaste rechtspraak (CRvB 2 maart 2006, LJN AV3953 en TAR 2006, 72) ten minste gepaard te gaan met toekenning van een aanspraak (garantie) op een reguliere ontslaguitkering. Een dergelijke garantie is volgens vaste rechtspraak (CRvB 23 mei 2001, LJN AD3438 en TAR 2001, 122) onvoldoende, indien gezegd moet worden dat het Consent is geweest die een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse, of indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkering die niet uitgaat boven genoemde (garantie op een) uitkering, niet redelijk heeft kunnen achten. De Raad is van oordeel dat er aanleiding is voor het treffen van een aanvullende financiële regeling. Daarbij heeft de Raad overwogen dat aan het ontstaan van het conflict Consent in overwegende mate schuldig is door appellant niet die steun te geven, die in de gegeven omstandigheden op zijn plaats zou zijn geweest. Anderzijds is appellant ook te verwijten dat hij wat al te star op zijn strepen is blijven staan. Ook heeft het de verhoudingen geschaad dat appellant zowel tegen de directeur als de voorzitter van Consent bij de politie aangifte heeft gedaan van het plegen van strafbare feiten. Een voorziening waarbij appellant, naast de hierboven genoemde garantie, een bedrag van € 30.000,- wordt toegekend, is naar het oordeel van de Raad redelijk te achten.”.

1.3. Na deze uitspraak heeft Consent op 30 maart 2009 aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem ontslag te verlenen op grond van artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO Primair Onderwijs (CAO PO) wegens een ernstig verstoorde werkrelatie. Hierbij is aan appellant, naast de aanspraak die hij kan maken op een ontslaguitkering, een eenmalige vergoeding van € 30.000,- toegekend. Bij besluit van 23 april 2009 is dit voornemen met onmiddellijke ingang ten uitvoer gelegd. Na bezwaar is dit besluit bij besluit van 27 oktober 2009 (bestreden besluit) gehandhaafd, zij het dat appellant daarbij een outplacementtraject is aangeboden, waarvan Consent de kosten (door Consent berekend op een gemiddelde tussen de € 5.000,- en € 10.000,-) geheel voor haar rekening neemt.

2. De rechtbank heeft dit besluit bij de aangevallen uitspraak in stand gelaten.

De rechtbank is van oordeel dat Consent zich bij zijn besluitvorming terecht heeft laten leiden door de overwegingen van de Raad in zijn uitspraak van 8 januari 2009.

De rechtbank ziet in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Met name is de rechtbank niet gebleken dat zich na de uitspraak van de Raad nog ontwikkelingen in positieve zin hebben voorgedaan die tot een andere conclusie zouden moeten leiden ten aanzien van de werkrelatie tussen appellant enerzijds en de directeur van obs [naam obs] en Consent anderzijds. Daarnaast acht de rechtbank het outplacementaanbod geenszins onredelijk en ziet zij geen aanleiding om te oordelen dat de eenmalige vergoeding op een hoger bedrag had moeten worden vastgesteld.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1.1. Aan appellant kan worden toegegeven dat de betreffende overwegingen van de Raad in zijn uitspraak van 8 januari 2009 overwegingen ten overvloede waren, waaraan Consent niet was gebonden. Dit neemt echter niet weg dat Consent zich, in navolging van de Raad destijds, op het standpunt kon stellen dat tussen partijen geen sprake meer was van werkbare verhoudingen. Verder kon Consent tot de conclusie komen dat er na de uitspraak van de Raad in die situatie geen verandering is opgetreden en dat geen uitzicht bestond op een wel werkbare situatie tussen appellant en Consent. De Raad ontkent niet dat de positie van appellant op de arbeidsmarkt na januari 2009 niet bepaald rooskleurig is te noemen, zeker niet na publicaties op internet waarin appellant in een kwaad daglicht was geplaatst, maar niet gezegd kan worden dat die publicaties, waarin appellant noch Consent een aandeel hebben gehad, van wezenlijke invloed zijn geweest op de reeds bestaande onwerkbare verhouding tussen partijen. Consent behoefde hierin geen aanleiding te zien om zijn ontslagvoornemen niet uit te voeren.

3.1.2. Gezien het voorgaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat Consent de bevoegdheid toekwam om appellant op de gehanteerde grond te ontslaan. In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

3.2.1. Ten aanzien van de getroffen regeling stelt de Raad voorop dat het bij een regeling als hier aan de orde niet gaat om een schadevergoeding waarmee de financiële gevolgen van het ontslag (inkomens- en pensioenschade) geheel worden weggenomen, maar om een financiële compensatie voor het aandeel van de werkgever in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding. Om die reden kent de Raad geen betekenis toe aan de door appellant genoemde uitspraken van de kantonrechter.

3.2.2. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 8 januari 2009 heeft overwogen, is Consent in overwegende mate schuldig aan het ontstaan van het conflict door appellant niet die steun te geven, die in de gegeven omstandigheden op zijn plaats zou zijn geweest. De Raad voegt hieraan toe dat appellant die steun ook daarna niet heeft gekregen, zodat het voortbestaan van het conflict ook (deels) Consent valt aan te rekenen. Wat het aandeel van appellant betreft in het voortbestaan van het conflict oordeelt de Raad thans niet anders dan in voornoemde uitspraak, namelijk dat ook appellant het een en ander valt te verwijten. Dit neemt echter niet weg dat de gevolgen van het ontslag voor appellant verstrekkend zijn. De kans dat appellant in de nabije toekomst nog in het onderwijs werkzaam zal zijn, is (uiterst) gering te noemen. Consent is appellant hierin tegemoet gekomen door hem, naast de toekenning van € 30.000,-, een outplacementtraject aan te bieden (waarover hieronder meer). Verder heeft Consent aangegeven bereid te zijn haar netwerk aan te spreken om appellant elders aan het werk te helpen, maar aanwijzingen dat Consent dat daadwerkelijk heeft gedaan, heeft de Raad in het dossier niet gevonden.

3.2.3. Het geheel overziende is de Raad van oordeel dat het aangeboden outplacementtraject en de door Consent toegekende vergoeding van € 30.000,- in de gegeven omstandigheden ontoereikend moet worden geacht. Het hoger beroep van appellant treft in zoverre doel en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank de getroffen regeling niet onvoldoende heeft geacht. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit in zoverre vernietigen en, zelf voorziend, aan appellant, in aanvulling op de reeds toegekende

€ 30.000,-, nog een bedrag van € 20.000,- toekennen. Daarbij wordt aangetekend dat ter zitting van de zijde van Consent is medegedeeld dat er in het kader van het aangeboden outplacementtraject weliswaar gesprekken zijn gevoerd, maar dat die tot niets hebben geleid. Omdat het aanbod tot outplacement door appellant nooit is aanvaard, geldt dit aanbod nog steeds.

4. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de Raad het ontslagbesluit, voor zover daarbij een onvoldoende uitkeringsregeling is getroffen, zal herroepen wegens aan Consent te wijten onrechtmatigheid, is er aanleiding Consent op grond van artikel 7:15 in verbinding met artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. Deze worden begroot op € 3,96 aan reiskosten.

Ook vindt de Raad aanleiding om Consent op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 12,60 aan reiskosten en in hoger beroep tot een bedrag van € 437,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan het ontslag geen hogere financiële

vergoeding is verbonden;

- kent aan appellant, in aanvulling op het bestreden besluit, een ontslaguitkering toe van

€ 20.000,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van

het bestreden besluit;

- bepaalt dat Consent aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 374,- vergoedt;

- veroordeelt Consent in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger

beroep tot een bedrag van in totaal € 453,56.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) N.M. van Gorkum.

RB