Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
10-5939 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. Het college heeft op juiste wijze de in de uitspraak van de Raad (LJN BI4404) vastgestelde gebrekkige motivering van de functiewaardering op het gezichtspunt kennis geheeld. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, kan de Raad niet tot het oordeel brengen dat ook nu gezegd moet worden dat de functiewaardering op dit gezichtspunt op onvoldoende gronden berust. Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5939 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 september 2010, 09/1696, (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van [het college] (college)

Datum uitspraak: 19 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. van der Steen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Steen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A. Martens.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en naar de uitspraak van de Raad van 29 april 2009, 08/178 AW en LJN BI4404 (uitspraak 1). De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant werd met ingang van 1 maart 2002 bij [het college] aangesteld in vaste dienst in de functie van [naam functie] bij de afdeling [afdeling] van de sector [sector]. Deze functie was indicatief ingedeeld in salarisschaal 10a.

1.2. Bij besluit van 23 maart 2006 is, naar de datum 1 juli 2001, de beschrijving van de functie van appellant, met de naam clusterleider/beleidsadviseur Geo-informatie, vastgesteld. Appellant is hiertegen niet opgekomen.

1.3. Vervolgens is bij besluit van 29 juni 2006 de functie van appellant gewaardeerd, met als uitkomst een puntenaantal van 131, waarbij indeling in de salarisschaal 10 behoort.

1.4. Bij besluit van 16 januari 2007 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2006 - voor zover hier van belang - ongegrond verklaard.

1.5. De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 28 november 2007, 07/285, - voor zover hier van belang - het beroep van appellant tegen het besluit van 16 januari 2007 ongegrond verklaard.

1.6. De Raad heeft bij uitspraak 1 - voor zover hier van belang - de onder 1.5 genoemde uitspraak vernietigd, het besluit van 16 januari 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze beslissing heeft betrekking op de waardering van het gezichtspunt kennis met 51 punten. De Raad was van oordeel dat de motivering van die waardering te kort schoot; daarom berust de waardering op onvoldoende gronden. Hierbij heeft de Raad tot uitgangspunt genomen dat de gewaardeerde functie van appellant op het algemene kennisniveau van, ten minste, hbo (+) ligt.

1.7. Naar aanleiding van uitspraak 1 heeft het college bij besluit van 14 augustus 2009 (bestreden besluit) - voor zover hier van belang - het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2006 opnieuw ongegrond verklaard.

3. Appellant volhardt in hoger beroep in zijn stelling dat de uitkomst van de functiewaardering niet juist is, omdat het gezichtspunt kennis volgens uitspraak 1 gewaardeerd behoort te worden met 63 punten in plaats van met 51 punten. Ook stelt hij dat uitspraak 1 niet uitsluit dat voor een goede vervulling van de functie van appellant academisch onderwijs vereist is. Verder heeft appellant verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens het overschreden zijn van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het college heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Anders dan appellant heeft betoogd valt uit uitspraak 1 niet af te leiden dat het college ter uitvoering van die uitspraak diende uit te gaan van de waardering van het gezichtspunt kennis met 63 punten. Uitspraak 1 strekt ertoe dat het college, indien het daartoe aanleiding zou zien, het vastgestelde gebrek in de motivering van bedoeld gezichtspunt herstelt. Dit heeft het college bij het bestreden besluit beoogd te doen, met inachtneming van het in uitspraak 1 vastgelegd uitgangspunt dat daarbij van (voltooid) hbo-onderwijs moet worden uitgegaan. Uitspraak 1 is op dat punt duidelijk.

4.2. Voor de waardering van de diverse bij de functiewaardering betrokken gezichtspunten moet gezien worden naar de tabellen bij het systeem van functiewaardering van Kerkrade. Wat betreft de waardering van het gezichtspunt kennis moet worden uitgegaan van onderdeel C van de desbetreffende tabel (afgeronde opleiding hoger beroepsonderwijs (+)). De waardering kan uitkomen op 63 punten, als er sprake is van “beheersing van het vakgebied met ruimere ervaring”.

4.3. Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de waardering van 63 punten hier niet aan de orde kan zijn, omdat de uitoefening van de functie van appellant wat betreft het gezichtspunt kennis wel “beheersing van het vakgebied” maar niet “een ruimere ervaring” eist, die een werkervaring van ten minste zes jaar vraagt. Vereist is een “ruime ervaring”, waarbij een werkervaring van drie jaar voldoende is. Dit is het geval, omdat van de houder van de functie van appellant een op die functie toegesneden (afgeronde) hbo-opleiding gevraagd wordt: de opleiding geodesie en geo-informatica. Hiervan uitgaande acht het college de waardering van het gezichtspunt kennis met 51 punten gerechtvaardigd.

4.4. De Raad is van oordeel dat het college op die wijze de in uitspraak 1 vastgestelde gebrekkige motivering van de functiewaardering op het gezichtspunt kennis heeft geheeld. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, kan de Raad niet tot het oordeel brengen dat ook nu gezegd moet worden dat de functiewaardering op dit gezichtspunt op onvoldoende gronden berust. De Raad neemt hierbij aan dat de in de beschrijving van de functie van appellant gevraagde kennis in de door hem gevolgde hbo-opleiding geodesie en geo-informatica in 2001 op het toen vereiste niveau onderwezen werd en toen in de praktijk een korte werkervaring toeliet. Dat die studie en de aard van het werk van appellant in zijn functie vervolgens verder zijn ontwikkeld, doet daaraan niet af.

Het college heeft uitspraak 1 dus juist uitgevoerd.

5. Over het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overweegt de Raad het volgende.

5.1. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift tegen het besluit van 29 juni 2006 tot aan de datum van deze uitspraak (voorzien op 19 april 2012) zijn ruim vijf en een half jaar verstreken. Dit moet als een overschrijding van de redelijke termijn worden aangemerkt. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is te beschouwen, noch in de opstelling van appellant een rechtvaardiging voor de lange duur van de procedure kan worden gevonden. De Raad ziet in dit geval geen aanleiding de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op een andere termijn dan vier jaar.

5.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 25 maart 2009, LJN BH9991), moet in een geval waarin een vernietiging van een besluit op een bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Als echter in de loop van de hele procedure een of meer keer sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, komt die periode waarmee de rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het Ministerie van Veiligheid en Justitie). Wat het college ter zitting van de Raad hiertegen - op zich invoelbaar - heeft ingebracht, geeft de Raad geen aanleiding van deze vaste rechtspraak terug te komen.

5.3. De Raad stelt vast dat in dit geval in de rechterlijke fasen de toelaatbare behandelingsduur niet is overschreden. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn van (afgerond) twee jaar aan het college is toe te schrijven.

5.3. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 december 2004, LJN AR7273 en JB 2005/30, en van 25 oktober 2007, LJN BB7454 en TAR 2008, 55, leidt het hiervoor overwogene tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd onder gegrondverklaring van het beroep en onder vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 6 van het EVRM. De Raad acht aannemelijk dat appellant als gevolg van de lange duur van de procedure daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad acht om die reden termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden immateriële schade. De Raad stelt de door het college aan appellant te vergoeden schade vast op (4 x € 500,- =) € 2.000,-.

6. Omdat de Raad onder 4.4 tot de slotsom is gekomen dat de in geding zijnde functiewaardering de rechterlijke toetsing kan doorstaan, bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant: in beroep ten bedrage van € 874,- voor kosten van rechtsbijstand, € 22,60 voor reiskosten en € 104,82 voor verletkosten; in hoger beroep ten bedrage van € 874,- voor kosten van rechtsbijstand, € 39,40 voor reiskosten en € 158,04 voor verletkosten, in totaal tot een bedrag van € 2.072,86.

III. BESLSSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 augustus 2009;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellant van schade tot een bedrag van

€ 2.000,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 369,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.072,86.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD