Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
11-4679 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een EBI-toelage. Dat pas recht op de EBI-toelage ontstaat wanneer voldaan is aan een bepaalde en substantiële mate van inzet, en dat die grens is gelegd bij acht weken aaneengesloten, is, ook met het oog op de uitvoerbaarheid van het beleid, geen onredelijke beleidsbepaling. Er is beslist in overeenstemming met dit beleid en er zijn verder geen bijzondere omstandigheden door appellant aangevoerd die maken dat de minister ten aanzien van hem een uitzondering had moeten maken op dit beleid. Geen aanleiding voor een toekenning naar rato.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4679 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 8 juli 2011, 10/3293 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

Datum uitspraak: 19 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door [v.V.]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E. Peters - van Rijn, [B.] en [C.].

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam als senior penitentiair inrichtingenwerker (piw’er) bij de penitentiaire inrichtingen (PI) [naam P.I.]. Bij besluit van 14 juni 2010 (bestreden besluit) heeft de minister zijn besluit tot afwijzing van het verzoek van appellant om hem met ingang van 1 januari 2009 een zogenoemde EBI-toelage toe te kennen gehandhaafd, onder toekenning van een eenmalig bedrag van € 238,87.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen dit bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant, die de toelage sedert april 2011 wel ontvangt, zijn standpunt herhaald dat het onredelijk is om hem niet ook, eventueel naar rato van de gedraaide diensten, in aanmerking te brengen voor de EBI-toelage in de hier van belang zijnde periode. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan het beleid neergelegd in de circulaire van 30 november 2007, 5436861/06/DJI (EBI-toelage, LAGB, TA-personeel) en dat appellant niet valt onder het extra begunstigend beleid van de PI [naam P.I.] neergelegd in de beleidsnota EBI 2001.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt.

4.1. Genoemde circulaire is een uitwerking van artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren en voorziet in een vorm van bewust belonen voor een beperkte groep personeel werkzaam op de Extra Beveiligde Inrichting EBI, de Landelijke Afdeling voor Beheersproblematische Gedetineerden LABG of een landelijke Terroristen Afdeling TA. Voor de toelage komen onder meer in aanmerking de senior piw’ers geplaatst op een EBI, LAGB of TA. Voorwaarden voor toekenning zijn dat sprake is van goed en volledig functioneren en dat de betrokkene ten minste acht aaneengesloten weken te werk is gesteld op een EBI, LABG of TA. De periodieke toelage wordt naar rato verlaagd indien betrokkene in deeltijd te werk is gesteld op bedoelde afdelingen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de minister en gebruikmaking daarvan kan door de rechter slechts terughoudend worden getoetst.

4.2. De weigering om appellant de gevraagde toelage te verlenen berust in de eerste plaats op de vaststelling dat hij niet voldoet aan de voorwaarde van acht aaneengesloten weken.

Die vaststelling betwist appellant niet. Uit de door hem overgelegde werkroosters blijkt dat appellant in de hier van belang zijnde periode niet aaneengesloten acht weken werkzaam was op bedoelde afdelingen, zelfs niet indien rekening wordt gehouden met “grijze” diensten zoals ambulant, omdat hij ook zo nu en dan elders binnen de PI, bijvoorbeeld in het huis van bewaring, diensten draaide. Appellant acht het beleid, nu daarin een drempel is opgenomen van acht weken aaneengesloten, niet redelijk. Dat standpunt onderschrijft de Raad niet. De toelage is volgens de tekst van de circulaire in de eerste plaats bedoeld voor werknemers die formeel zijn geplaatst op bedoelde afdelingen en wordt voorts in de praktijk ook toegekend aan anderen die, zoals appellant, in beginsel zijn geplaatst op een andere afdeling (unit 1, afdeling A/B, huis van bewaring) maar volgens het rooster wel regelmatig feitelijk werkzaam zijn op bedoelde afdelingen. Dat pas recht op de EBI-toelage ontstaat wanneer voldaan is aan een bepaalde en substantiële mate van inzet, en dat die grens is gelegd bij acht weken aaneengesloten, acht de Raad, ook met het oog op de uitvoerbaarheid van het beleid, geen onredelijke beleidsbepaling. Er is beslist in overeenstemming met dit beleid en er zijn verder geen bijzondere omstandigheden door appellant aangevoerd die maken dat de minister ten aanzien van hem een uitzondering had moeten maken op dit beleid.

4.3. Aanvullend geldt voor de PI [naam P.I.] op grond van lokaal gemaakte keuzes dat bepaalde medewerkers zoals de psycholoog, de sportinstructeur en de visitietatiemeester analoog aan de circulaire recht hebben op een toelage naar rato van de gemiddelde uurbesteding per week, zodat geen rechtsongelijkheid ontstaat tussen deze medewerkers en degenen die volgens de circulaire in verband met hun deeltijdaanstelling een toelage naar rato ontvangen. Er is een staffeling gemaakt, waarbij recht kan bestaan op 25, 50 of 75% van de toelage al naar gelang het percentage van de volledige arbeidsduur die betrokkene besteedt aan de EBI/EBR.

4.4. Appellant vindt dat deze toelage naar rato ook moet worden toegekend als niet geheel wordt voldaan aan de eis van acht weken aaneengesloten, maar wel voor een groot deel, zoals in zijn geval. Om die reden heeft appellant ook gevraagd om toekenning van een toelage van 75%. De minister heeft uiteengezet dat ook voor deze bepaalde medewerkers onverkort de eis van acht weken aaneengesloten geldt, maar dat de aard van hun werkzaamheden meebrengt dat zij niet hun volledige werktijd op bedoelde afdelingen werkzaam kunnen zijn. Om die reden is gekozen voor toekenning naar rato. Die uitleg volgt de Raad. Het is niet onredelijk om de situatie van piw’ers als appellant daarmee niet op één lijn te stellen.

4.5. Appellant heeft verder nog als beroepsgrond naar voren gebracht dat niet eenduidig wordt gehandeld bij het aanvragen van de toelage, hetgeen hij onzorgvuldig acht. De minister heeft erkend dat een en ander wel eens mis is gegaan. Die gang van zaken raakt het bestreden besluit echter niet en kan daarom niet meebrengen dat de weigering om appellant de gevraagde toelage toe te kennen geen stand kan houden.

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD