Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
10-3779 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om pgb voor de aanschaf van een vierwielige scootmobiel. Er is keuzevrijheid voor degene die is aangewezen op een individuele voorziening. Het college moet een persoon die aanspraak heeft op een dergelijke voorziening de keuze bieden tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar pgb, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. De bezwaren moeten zodanig ernstig zijn, dat het voortbestaan van het in geding zijnde systeem van individuele voorzieningen gevaar loopt. De vrees van het college voor dubbele kosten te worden gesteld is in beginsel een deugdelijke onderbouwing voor het standpunt dat sprake is van overwegende bezwaren. Het risico van dubbele kosten beperkt zich echter tot de door het college verstrekte voorzieningen, waarbij nog niet de economische afschrijvingsduur is verlopen. Appellante heeft haar aanvraag ingediend nadat de economische afschrijvingsduur was verlopen, zodat er geen beletsel was om haar voor een pgb in aanmerking te brengen. Het feit dat appellante eerder de aan haar verstrekte scootmobiel had ingeleverd maakt dat niet anders aangezien zij in de tussenliggende tijd niet van het college een andere scootmobiel verstrekt heeft gekregen. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging bestreden besluit. De Raad voorziet zelf in de zaak en kent pgb toe.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/127 met annotatie van Red
JWWB 2012/88
RSV 2012/148
AB 2012/198

Uitspraak

10/3779 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 25 mei 2010, 09/754 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)

Datum uitspraak: 18 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. J. Janssen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012. Namens appellante is verschenen J.. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E.E. Mulder en D. Herder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante heeft beperkingen bij het verplaatsen buiten de woning. Voordat appellante in 2005 in de gemeente Emmen kwam wonen, had zij een driewielige scootmobiel in bruikleen van de gemeente Hoogeveen. Het bouwjaar van deze scootmobiel was 2003 (mei 2003). Het college heeft deze scootmobiel in 2005 overgenomen van de gemeente Hoogeveen. Appellante heeft in oktober 2007 aan het college gevraagd de scootmobiel op te halen, wat het college vervolgens heeft gedaan. Appellante heeft zelf een vierwielige scootmobiel gekocht.

1.3. Appellante heeft in een brief van 23 juli 2008 (bij het college ingekomen op 20 augustus 2008) aan het college gevraagd om haar voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor de aanschaf van de scootmobiel in aanmerking te brengen.

1.4. In een besluit van 21 augustus 2008 heeft het college geweigerd aan appellante een pgb te verstrekken. Dat besluit heeft het college na bezwaar van appellante gehandhaafd in een besluit van 1 september 2009.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 1 september 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen noodzaak was tot het verstrekken van een vierwielige scootmobiel. De driewielige scootmobiel die appellante had was in goede staat en kon nog door appellante worden gebruikt. Deze scootmobiel is goedkoper dan een vierwielige scootmobiel. Onder die omstandigheden is volgens de rechtbank de keuzemogelijkheid van artikel 6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) niet aan de orde.

3. Tussen partijen is in geschil of het college aan appellante een pgb had moeten toekennen. Appellante stelt dat dit wel had gemoeten gelet op de keuzemogelijkheid die artikel 6 van de Wmo geeft tussen een voorziening in natura of een daarmee vergelijkbaar pgb. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen recht op een pgb is zolang een eerder in natura verstrekte voorziening nog adequaat en compenserend is, zoals volgens het college in dit geval aan de orde was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Voor het wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De driewielige scootmobiel moet worden gezien als een voor appellante adequate en compenserende voorziening. Niet is immers komen vast te staan dat er een medische indicatie is voor een vierwielige scootmobiel.

4.2. In artikel 6 van de Wmo is de keuzevrijheid neergelegd van degene die is aangewezen op een individuele voorziening. Het college moet een persoon die aanspraak heeft op een dergelijke voorziening de keuze bieden tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar pgb, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat bij de uitzondering “overwegende bezwaren” aanvankelijk alleen gedacht is aan persoonsgebonden bezwaren, zoals de verstrekking van een pgb aan een persoon die daarmee niet om zou kunnen gaan, bijvoorbeeld een drugsverslaafde (Tweede Kamer 2005-2006, 30 131, nr. 100 en T.K. 2005-2006, 30 131, nr. 97 p. 2).

Uit de verdere behandeling van het wetsvoorstel blijkt dat de overwegende bezwaren ook algemeen van aard kunnen zijn en kunnen berusten op doelmatigheidsoverwegingen. Daaronder kan worden begrepen de overweging dat een veelvuldig beroep op persoonsgebonden budgetten het in stand houden van een systeem van collectief vervoer kan ondergraven (Handelingen Eerste Kamer p. 34-1654). Daarbij heeft te gelden dat een gemeente niet al te lichtvaardig mag besluiten om de keuzevrijheid te beperken (Eerste Kamer 2005-2006, 30 131, E, p. 4) en dat de overwegende bezwaren niet te ver opgerekt mogen worden. Zo is het per se niet zo dat bijvoorbeeld een inkoopvoordeel, dat mogelijkerwijs niet behaald wordt omdat een bepaald percentage mensen kiest voor een pgb, als een overwegend bezwaar kan worden aangemerkt (Handelingen EK p 34-1602).

4.3. Naar de bedoeling van de wetgever zal er dus niet licht van “overwegende bezwaren” van algemene aard sprake kunnen zijn. De bezwaren moeten zodanig ernstig zijn, dat het voortbestaan van het in geding zijnde systeem van individuele voorzieningen gevaar loopt. Een beperking van de keuzevrijheid zal dan ook, concreet en verifieerbaar onderbouwd met feitelijke gegevens over de risico’s voor het voortbestaan van het systeem, gemotiveerd moeten worden.

4.4. De gemachtigde van het college ter zitting heeft met een beroep op doelmatigheidsoverwegingen verwoord wat het belang van het college is bij het niet vertrekken van een pgb in een geval als van appellante. De gemachtigde heeft verklaard dat het college wil voorkomen dat het voor dubbele kosten komt te staan. Bij het verstrekken van een pgb aan een persoon, die een door het college verstrekte adequate en compenserende voorziening in natura inlevert, ontstaat immers het risico dat die voorziening ongebruikt in een opslagruimte staat terwijl daarnaast de pgb tot uitbetaling komt. Het is de zorg van het college dat een grote groep personen die van het college een driewielige scootmobiel in bruikleen heeft gekregen, alsnog een voorkeur zal hebben voor een vierwielige scootmobiel, waardoor het genoemde risico verder zal toenemen.

4.5. De Raad vindt de vrees van het college voor dubbele kosten te worden gesteld in beginsel een deugdelijke onderbouwing voor het standpunt dat sprake is van overwegende bezwaren, als bedoeld in artikel 6 van de Wmo, die in de weg kunnen staan aan het bieden van een keuze tussen een individuele voorziening in natura of een pgb.

Het risico van dubbele kosten beperkt zich echter tot de door het college verstrekte voorzieningen, waarbij nog niet de economische afschrijvingsduur is verlopen. In het geval deze afschrijvingsduur wel is verlopen, mag een betrokkene op die grond dus niet meer worden beperkt in zijn keuzevrijheid en staat het hem vrij om de door het college verstrekte voorziening in natura in te leveren en te kiezen voor een pgb.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de economische afschrijvingsduur van de door het college aan appellante eerder in bruikleen verstrekte scootmobiel vijf jaren bedraagt. Deze scootmobiel dateert van mei 2003. Dat houdt in dat de economische afschrijvingsduur in mei 2008 was verlopen. Appellante heeft daarna haar aanvraag ingediend, zodat er geen beletsel was om haar voor een pgb in aanmerking te brengen. Het feit dat appellante eerder de aan haar verstrekte scootmobiel had ingeleverd maakt dat niet anders aangezien zij in de tussenliggende tijd niet van het college een andere scootmobiel verstrekt heeft gekregen.

4.7. Wat hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen verklaart de Raad het beroep van appellante gegrond en vernietigt hij het besluit van 1 september 2009. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van

21 augustus 2008 te herroepen en door te bepalen dat appellante met ingang van de dag waarop het college haar aanvraag heeft ontvangen, 20 augustus 2008, in aanmerking komt voor een eenmalige pgb van € 2.479,98 en gedurende de periode van gebruik van de scootmobiel jaarlijks een bedrag van € 317,48.

5. De Raad ziet aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.955,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 september 2009 gegrond;

- vernietigt het besluit van 1 september 2009;

- voorziet zelf in de zaak als overwogen onder 4.7;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.955,--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P. Venema en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. van Dam.

RB