Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
10-3819 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Aangezien is komen vast te staan dat appellant vanaf 18 september 2007 weer recht heeft op bijstand, ontbrak achteraf gezien een grondslag voor het indienen van een nieuwe aanvraag om bijstand op 28 december 2007. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Vernietiging bestreden besluit. De Raad voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3819 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 25 juni 2010, 08/1293, 08/1294, 08/1316 en 08/1317 (aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden (Bestuurscommissie)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Bestuurscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2012. Appellant is verschenen. De Bestuurscommissie heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn echtgenote ontvingen tot 18 september 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden. Met ingang van laatstgenoemde datum was die uitkering ingetrokken wegens het niet voldoen aan de arbeidsverplichtingen.

1.2. Op 28 december 2007 heeft appellant bijstand aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zijn vrouw was naar het buitenland vertrokken en verbleef bij familie in Brussel en Parijs.

1.3. Bij besluit van 21 februari 2008 heeft de Bestuurscommissie de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat hij een gezamenlijk huishouding voert met zijn echtgenote. Bij besluit van 3 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft de Bestuurscommissie onder wijziging van de grondslag het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 december 2007 ongegrond verklaard. De Bestuurscommissie heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leven.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hiervan belang, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Appellant benadrukt dat zijn echtgenote in het buitenland verbleef en alleen naar huis kwam tijdens schoolvakanties die langer dan twee weken duurden. Overigens was er alleen telefonisch contact.

3.2. Hangende de hoger beroepsprocedure heeft de Bestuurscommissie bericht, voor zover van belang, dat uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 25 juni 2010, geregistreerd onder meer onder nummer 08/83 en dat de bijstand aan appellant met ingang van 18 september 2007 weer betaalbaar gesteld. Bij deze uitspraak is het op de intrekking van de bijstand per 18 september 2007 betrekking hebbende besluit op bezwaar vernietigd en is het betreffende primaire besluit herroepen. De nabetaling van de bijstand over de periode van 18 september 2007 tot 8 januari 2009 tot een bedrag van in totaal € 15.875,39 heeft plaatsgevonden op 26 juli 2010. De nabetaling van het opgebouwde vakantiegeld tot een bedrag van in totaal € 853,84 heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011.

3.3. In een aanvullend hoger beroepschrift heeft appellant om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de nabetaalde uitkering verzocht alsmede om vergoeding van het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht.

3.4. Op 5 maart 2012 heeft de Bestuurscommissie de Raad laten weten bereid te zijn de wettelijke rente over de nabetaalde uitkering te vergoeden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In dit geding is slechts aan de orde of appellant recht heeft op bijstand met ingang van 28 december 2007. Aangezien is komen vast te staan dat appellant vanaf 18 september 2007 weer recht heeft op bijstand, ontbrak achteraf gezien een grondslag voor het indienen van een nieuwe aanvraag om bijstand op 28 december 2007. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen. Hij ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 21 februari 2008 te herroepen.

4.2. De schade, in de vorm van wettelijke rente, die appellant vergoed wil hebben, is veroorzaakt door het - herroepen - besluit tot intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 18 september 2007. Dat besluit is hier niet in geschil. Daarom komt het verzoek om vergoeding van schade niet voor toewijzing in aanmerking.

5. De Bestuurscommissie zal worden veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Die kosten worden begroot op € 27,56 ter zake van reiskosten. Niet gebleken is dat appellant in verband met de behandeling van het beroep kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 oktober 2008;

- herroept het besluit van 21 februari 2008;

- wijst het verzoek om vergoeding van schade af;

- veroordeelt de Bestuurscommissie in de kosten van appellant tot een bedrag van

€ 27,56;

- bepaalt dat de Bestuurscommissie aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 150,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) B. Bekkers.

HD