Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3254

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
10/3386 WMO-T + 10/3745 WMO-T + 10/4398 WMO-T e.a.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Toekenning pgb t.b.v. hulp bij het huishouden. Het college heeft in alle bij dit geding betrokken besluiten onvoldoende onderzoek verricht naar de omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden. Het college dient onderzoek te verrichten naar de omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden en dient daarbij alle omstandigheden van het geval te betrekken. Indien appellanten, zoals het college stelt, niet toestaan dat bij hen thuis een huisbezoek wordt afgelegd, dan dient het college te bezien of er andere onderzoeksmethoden zijn om de omvang van de hulp bij het huishouden vast te stellen. Het college dient een nieuw besluit te nemen waarbij het tevens de wijziging van de Beleidsregels Wmo Oss in 2010 dient te betrekken. Verder dient het college in het nieuw te nemen besluit een beslissing te nemen op het verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3386 WMO-T

10/3745 WMO-T

10/4398 WMO-T

12/1234 WMO-T

12/1235 WMO-T

12/1236 WMO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] en [appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 mei 2010, 08/1138 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss (college)

Datum uitspraak: 18 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het college heeft, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, op 8 juli 2010 een nieuw besluit genomen. Verder heeft het college een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het college heeft drie besluiten van 31 maart 2009, 30 juni 2010 en 18 april 2011 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012. Appellanten zijn met kennisgeving niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.G.M. van Grinsven en mr. E.G.A. Keijzers.

II. OVERWEGINGEN

1. Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het college heeft appellante bij besluit van 21 december 2007 (besluit 1) in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in categorie HH2, klasse vier (7 - 9,9 uur per week) over de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 februari 2008 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). De hoogte van het bruto pgb is voor die periode vastgesteld op € 650,63.

1.2. Bij besluit van 31 januari 2008 (besluit 2) heeft het college de hulp bij het huishouden HH2, klasse vier voortgezet over de periode van 1 februari 2008 tot en met 1 april 2008. De hoogte van het bruto pgb is vastgesteld op € 600,58 per vier weken.

1.3. De Stichting Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) heeft in opdracht van het college onderzoek verricht naar de lichamelijke en psychische beperkingen van appellanten en op 18 februari 2008 aan het college advies uitgebracht.

1.4. Het college heeft appellant bij besluit van 7 april 2008 (besluit 3) in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden in categorie HH2, klasse één (0 - 1,9 uur per week) over de periode van 1 juli 2008 tot en met 1 april 2013, met toepassing van een afbouwregeling over de periode van 1 april 2008 tot 1 juli 2008. De hoogte van het bruto pgb is vastgesteld op € 918,-- per jaar (€ 70,58 per vier weken).

1.5. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 25 april 2008 (08/1137) het verzoek van appellante tot het treffen van een voorlopige voorziening deels toegewezen en bepaald dat de hulp bij het huishouden met ingang van 1 april 2008 onverminderd wordt voortgezet in categorie HH2, klasse vier, tot zes weken nadat op het bezwaar tegen besluit 3 is beslist.

1.6. Bij besluit van 19 mei 2008 (besluit 4) heeft het college appellant in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden in categorie HH2, klasse vier (7 - 9,9 uur per week) over de periode van 1 mei 2008 tot en met 1 mei 2009 in de vorm van een pgb. De hoogte van het bruto pgb is vastgesteld op € 7.807,-- per jaar (€ 600,75 per vier weken).

1.7. Bij besluit van 20 augustus 2008 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1, 2, 3 en 4 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellanten in verband met hun beperkingen recht hebben op zeven uur per week hulp bij het huishouden: drie uur voor zware huishoudelijke werkzaamheden, 1,5 uur voor lichte huishoudelijke werkzaamheden en 1,5 uur voor wasverzorging, vermeerderd met één uur per week in verband met incontinentie van appellante. Het college stelt zich op het standpunt dat het medisch advies van CIZ op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Verder stelt het college zich op het standpunt dat het zich bij de vaststelling van de omvang van de hulp bij het huishouden terecht heeft gebaseerd op het Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging, afkomstig van het CIZ (Protocol). In het Protocol is uitgangspunt, dat alleen die kamers die in gebruik zijn, worden schoongehouden en dat geen extra tijd wordt ingezet bij een grotere woonruimte. Dat appellanten een extra grote woning hebben, moet volgens het college in het kader van de Wmo voor hun rekening blijven. Het college heeft verder het bezwaar inzake de hoogte van het uurtarief van de zorgaanbieder verworpen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek naar de beperkingen van appellanten voldoende zorgvuldig is geweest. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat het college de omvang van de hulp bij het huishouden heeft vastgesteld in overeenstemming met de normtijden in de Beleidsregels Wmo Oss 2008 (Beleidsregels), die afkomstig zijn uit het Protocol. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten om te oordelen dat de toegekende hulp bij het huishouden naar objectief inzicht onvoldoende zou moeten worden geacht. Verder heeft de rechtbank overwogen dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden waarin het college aanleiding had moeten zien om met toepassing van de hardheidsclausule meer uren hulp bij het huishouden toe te kennen. De rechtbank heeft verder overwogen dat de grond met betrekking tot de hoogte van het pgb wel doel treft. Volgens een nadere toelichting van het college bij brief van 8 januari 2010 bedraagt het tarief voor hulp in natura in categorie HH2 € 22,29 per uur. Het pgb is vastgesteld op 77,6% van dit bedrag, oftewel € 17,19 per uur. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

17 november 2009 (LJN BK4603) heeft de rechtbank geoordeeld dat het in het bestreden besluit toegepaste uurtarief op een ondeugdelijke motivering berust, nu daarin een lager bedrag dan het uurtarief van de door de gemeente gecontracteerde hulp bij het huishouden is vastgesteld, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college bij het nieuw te nemen besluit tevens dient te beslissen op het verzoek om schadevergoeding.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stellen zich op het standpunt dat het college bij de vaststelling van de omvang van de hulp bij het huishouden in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met hun lichamelijke en psychische beperkingen. Verder heeft het college volgens appellanten onvoldoende rekening gehouden met de grootte van hun woning en het gebruik van de woning: de woning is bovengemiddeld groot en zij maken gebruik van twee slaapkamers en een kamer voor muziekstudie. Daarnaast verzoeken appellanten om vergoeding van de door hen geleden schade.

4. Op 8 juli 2010 heeft het college, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit genomen. Daarbij heeft het college het bezwaar ten aanzien van de omvang van de hulp bij het huishouden weer ongegrond verklaard. Het college heeft het bezwaar ten aanzien van de hoogte van het pgb gegrond verklaard en bepaald dat het pgb zal worden aangepast conform het tarief voor categorie HH2, zijnde € 24,50 per uur voor het jaar 2010.

5. Verder heeft het college appellanten bij besluiten van 31 maart 2009, 30 juni 2010 en 18 april 2011 in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden voor zeven uur per week (klasse vier) in categorie HH2, over de perioden van respectievelijk 1 mei 2009 tot en met 1 mei 2010, 2 mei 2010 tot en met 30 april 2011 en 1 mei 2011 tot en met 30 april 2016.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Voor een weergave van de relevante bepalingen uit de Wmo en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss 2008 verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak

6.1. In dit geding ligt de toekenning van hulp bij het huishouden over de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 april 2013 ter beoordeling voor, gelet op de besluiten 1 tot en met 4.

6.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het onderzoek naar de beperkingen van appellanten voldoende zorgvuldig is geweest. Uit het advies van CIZ blijkt dat het onderzoek gericht is geweest op de lichamelijke en de psychische belastbaarheid van appellanten. Uit dit onderzoek is gebleken dat de beperkingen van appellanten noodzaken tot overname van licht en zwaar huishoudelijk werk en de wasverzorging. Appellanten hebben in hoger beroep geen medische stukken overgelegd die tot een ander oordeel moeten leiden.

6.3. In de Beleidsregels (zie p. 42 en 43) wordt ten aanzien van het toekennen van hulp bij licht en zwaar huishoudelijk werk, voor zover hier van belang, het volgende opgemerkt:

“Licht poetswerk in huis, kamers opruimen.

- Indien geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen, handmatig 15-30 minuten per keer, machine in- en uitruimen 10 minuten per keer.

- Opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur;

afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer.

- Extra toegekende tijd in principe maximaal 3 maal per week 20-30 minuten. Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten.

Zwaar huishoudelijk werk.

(…)

De omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers is 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90 minuten per week. Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3 kamers geldt de omvang van klasse 2.

In grote woningen met een hoge bezettingsgraad of bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren, afhankelijk van de situatie worden toegekend.

Overige uitgangspunten:

(…)

- Alleen de leefruimte waarvan cliënt gebruik maakt, wordt gepoetst waarbij geen extra tijd wordt ingezet bij een grotere woonruimte. In het activiteitenschema wordt overigens wel rekening gehouden met een seniorenwoning of eengezinswoning.

(…)”.

6.4. Uit deze Beleidsregels blijkt dat de omvang van de hulp bij licht en zwaar huishoudelijk werk afhankelijk is gesteld van een aantal omstandigheden, zoals de grootte van de woning en de aanwezigheid van een afwasmachine. De omstandigheden van het geval kunnen er toe leiden dat voor licht huishoudelijk werk maximaal drie uur per week worden toegekend en dat voor zwaar huishoudelijk werk hulp wordt toegekend in de klasse twee, wat overeenkomt met 2 tot 3,9 uur per week. Uit de gedingstukken blijkt niet waarom het college in dit geval heeft volstaan met een omvang van 1,5 uur voor licht huishoudelijk werk en drie uur voor zwaar huishoudelijk werk. Ter zitting is namens het college erkend dat een beoordeling op basis van de omstandigheden van het geval niet heeft plaatsgevonden. Voor de ter zitting daarvoor gegeven verklaring, namelijk dat appellanten het afleggen van een huisbezoek niet toestaan, is in de gedingstukken geen steun te vinden.

6.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college in strijd met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden.

6.6. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt met verbetering van de rechtsgronden.

Het besluit van 8 juli 2010

6.7. De Raad merkt het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 8 juli 2010 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb. Bij dit besluit heeft het college de omvang van de hulp bij het huishouden gehandhaafd op zeven uur per week. Nu met dit besluit niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellanten, dient de Raad gelet op artikel 6:19 van de Awb, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, dit besluit mede in zijn beoordeling te betrekken.

6.8. Appellanten bestrijden het bij dit besluit toegepaste uurtarief voor hulp bij het huishouden in de categorie HH2 niet. Hetgeen onder 6.4 en 6.5 is overwogen leidt evenwel tot de conclusie dat ook dit besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen. Voorts heeft het college geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht in de aangevallen uitspraak om een beslissing te nemen op het verzoek van appellanten om schadevergoeding.

6.9. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het besluit van 8 juli 2010 zal worden vernietigd.

De besluiten van 31 maart 2009, 30 juni 2010 en 18 april 2011

6.10. De Raad merkt ook deze besluiten aan als besluiten in de zin van artikel 6:18 van de Awb, nu deze zijn genomen binnen de reikwijdte en grondslag van het bestreden besluit. Bij deze besluiten heeft het college de omvang van de hulp bij het huishouden gehandhaafd op zeven uur per week. Nu met deze besluiten niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellanten, dient de Raad gelet op artikel 6:19 van de Awb, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, deze besluiten mede in zijn beoordeling te betrekken.

6.11. Hetgeen onder 6.4 en 6.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat ook deze besluiten op onvoldoende onderzoek berusten. Dit betekent dat ook het beroep tegen deze besluiten gegrond is en dat deze besluiten voor vernietiging in aanmerking komen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Opdracht aan het college

6.12. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven.

6.13. Uit het voorgaande vloeit voort dat het college onderzoek dient te verrichten naar de omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden en daarbij alle omstandigheden van het geval dient te betrekken, zoals het aantal (in gebruik zijnde) kamers in de woning van appellanten. Indien appellanten, zoals het college stelt, niet toestaan dat bij hen thuis een huisbezoek wordt afgelegd, dan dient het college te bezien of er andere onderzoeksmethoden zijn om de omvang van de hulp bij het huishouden vast te stellen, zoals het raadplegen van de zorgverleners van appellanten. Het college dient een nieuw besluit te nemen, waarbij het tevens de wijziging van de Beleidsregels in 2010 dient te betrekken. Verder dient het college in het nieuw te nemen besluit een beslissing te nemen op het verzoek om schadevergoeding.

6.14. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen het gebrek in de besluiten van 31 maart 2009, 30 juni 2010, 8 juli 2010 en 18 april 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in de besluiten van 31 maart 2009, 30 juni 2010, 8 juli 2010 en 18 april 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P. Venema en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. van Dam.

IJ