Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
11-4393 BBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Een bijstandverlenend orgaan is in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming inzake vragen met betrekking tot de levensvatbaarheid van ondernemingen te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundigen. In dit geval is geen situatie aanwezig waarin die regel niet zou opgaan. Evenmin is gebleken dat de adviezen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, op wezenlijke punten feitelijke onjuistheden bevatten, of ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Er is onvoldoende basis voor de conclusie dat geen sprake was van een onafhankelijk onderzoek. Appellant heeft geen objectieve gegevens - zoals een deskundig tegenadvies - overgelegd die zijn stelling dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf, kunnen onderbouwen. Met de stelling dat het college en IMK niet zijn ingegaan op het aanbod van zijn zakenpartner om gegevens over te leggen miskent appellant dat sprake is van een aanvraagsituatie, waarbij het op zijn weg ligt om voldoende gegevens te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4393 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 21 juli 2011, 11/1245 en 11/1361 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Groothuis.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 24 november 2010 een aanvraag op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ingediend ter voorziening in de behoefte aan een bedrijfskrediet en in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, in verband met een op te starten samenwerking van zijn bedrijf [naam bedrijf 1] met het bedrijf [naam bedrijf 2].

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college aan SBMO Consultants (SBMO) advies gevraagd over de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant. SBMO heeft op 21 december 2010 een rapport uitgebracht. Daarin wordt onder meer geconcludeerd dat de combinatie van een vacaturebank met aanvullende diensten op het gebied van human resource zoals het uitzenden van personeel, payrolling, werving & selectie en opleiding in Nederland niet uniek is, dat de huidige aanbieders in de markt veel concurrentievoordelen hebben ten opzichte van appellant en dat de kredietbehoefte van het bedrijf te groot is.

1.3. Bij besluit van 7 januari 2011 heeft het college overeenkomstig het advies van SBMO de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat er geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004.

1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 januari 2011. Tijdens de bezwaarprocedure heeft het college aan het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) opnieuw advies gevraagd over de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant. Het IMK heeft op 20 april 2011 een rapport uitgebracht. Het IMK voorziet een behoorlijke aanloopperiode voor de bedrijfsactiviteiten, terwijl er sprake is van een urgente liquiditeitsdruk, en concludeert dat er onvoldoende perspectief is voor het bedrijf van appellant. Bij besluit van 26 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 januari 2011, onder verwijzing naar de rapporten van SBMO en het IMK, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant betoogt dat zijn bedrijf, gelet op de uitgebreide beloningsmogelijkheden, wel levensvatbaar is. Daarbij wijst appellant op de resultaten die inmiddels zijn verwezenlijkt door het bedrijf [naam bedrijf 2], en die volgens appellant stroken met zijn prognoses bij de aanvraag. Bovendien gaan SBMO en IMK in de rapporten ten onrechte voorbij aan het payrollconcept en de lucratieve overeenkomst met NTI. Ook stelt appellant dat het onderzoek door IMK niet onafhankelijk heeft plaatsgevonden. Tot slot wijst appellant er op dat noch het college noch het IMK zijn ingegaan op het aanbod van zijn zakenpartner [naam zakenpartner] om gegevens over te leggen inzake de levensvatbaarheid van zijn bedrijf.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in geschil of het bedrijf van appellant als levensvatbaar in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 is aan te merken. Zowel naar de opvatting van SBMO als IMK is dat niet het geval.

4.2. Voorop staat dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een levensvatbaar bedrijf enkel van betekenis is de situatie ten tijde van het afwijzende besluit van 7 januari 2011 en dat geen rekening kan worden gehouden met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip. Daarom wordt voorbij gegaan aan de door appellant in hoger beroep ingebrachte cijfers over de inmiddels verwezenlijkte resultaten.

4.3.1. Zoals eerder is overwogen (CRvB, 26 juli 2011, LJN BR3546) is een bijstandverlenend orgaan in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming inzake vragen met betrekking tot de levensvatbaarheid van ondernemingen te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als SBMO en IMK. In dit geval is geen situatie aanwezig waarin die regel niet zou opgaan. Evenmin is gebleken dat de adviezen van SBMO en IMK op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, op wezenlijke punten feitelijke onjuistheden bevatten, of ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Bovendien heeft appellant kunnen reageren op de rapporten van SBMO en IMK, maar beide instanties hebben gemotiveerd geen aanleiding gezien om de eerdere conclusies met betrekking tot de levensvatbaarheid te wijzigen. Voorts blijkt uit de adviezen dat SBMO en IMK, anders dan appellant stelt, het payrollconcept wel betrokken hebben in hun onderzoek naar de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat de overeenkomst met NTI uiteindelijk in juli 2011 is gesloten. Onder verwijzing naar de in 4.2 omschreven peildatum, namelijk 7 januari 2011, is het dan ook niet onzorgvuldig dat SBMO en IMK de, nog niet gesloten overeenkomst, met NTI niet in hun onderzoek hebben betrokken.

4.3.2. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij het gevoel heeft dat IMK geen onafhankelijk onderzoek heeft verricht, maar dat hij daar geen bewijs voor heeft. Appellant heeft er wel op gewezen dat de medewerker van het Zelfstandigenloket van de gemeente Alkmaar die in de primaire fase betrokken was bij de beoordeling van de aanvraag van appellant, en door wie appellant zich onheus bejegend heeft gevoeld, in de bezwaarfase de contactpersoon was van IMK, dat tijdens het gesprek weinig aantekeningen zijn gemaakt door de medewerkers van IMK en dat het advies van IMK veel lijkt op het advies van SBMO. Deze feiten en omstandigheden zijn echter onvoldoende voor de conclusie dat geen sprake was van een onafhankelijk onderzoek. Daarbij blijkt uit de gedingstukken dat het IMK naar aanleiding van een klacht van appellant heeft geoordeeld dat de onafhankelijkheid van het IMK overeenkomstig de gevolgde procedures binnen IMK op goede wijze is gewaarborgd.

4.4. Appellant heeft geen objectieve gegevens - zoals een deskundig tegenadvies - overgelegd die zijn stelling dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf, kunnen onderbouwen. Aan de ter zitting door appellant ingenomen stelling dat hij de middelen niet heeft voor het uitbrengen van een contra-expertise, wordt voorbij gegaan, nu op grond van artikel 8:75 van de Awb de rechtbank de mogelijkheid heeft een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van een beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, waaronder de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Dit artikel is op grond van artikel 21 van de Beroepswet van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het is aan appellant om met betrekking tot de vraag of hij een contra-expertise zal laten verrichten in dat licht een afweging te maken. Louter eigen verwachtingen van de belanghebbende omtrent de levensvatbaarheid van zijn bedrijf vormen onvoldoende basis voor het toekennen van algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Dat is in het geval van appellant niet anders. Met de stelling dat het college en IMK niet zijn ingegaan op het aanbod van zijn zakenpartner om gegevens over te leggen miskent appellant dat sprake is van een aanvraagsituatie, waarbij het op zijn weg ligt om voldoende gegevens te verstrekken.

4.5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking. Om die reden dient het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot vergoeding van schade te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) B. Bekkers.

HD