Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
09/4839 WWB + 12/690 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft bij zijn besluit ter uitvoering van de tussenuitspraak van de Raad (LJN BU4793) het geconstateerde gebrek dat aan het besluit op bezwaar kleefde, hersteld. Appellant heeft geen gronden tegen het nadere besluit aangevoerd. Het daartegen gerichte beroep is dus ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4839 WWB

12/690 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2009, 08/8934 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

Datum uitspraak: 12 april 2012

I. PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 1 november 2011 een tussenuitspraak,

LJN BU4793, gedaan (hierna: tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 23 december 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens appellant heeft mr. K. ten Broek bij brief van 17 januari 2012 zijn zienswijze gegeven.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Tevens heeft de Raad besloten de zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 1 november 2011 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt hij het volgende toe.

2. Het college heeft bij zijn besluit van 23 december 2011 (nadere besluit) het geconstateerde gebrek dat aan het besluit op bezwaar van 3 november 2008 (bestreden besluit) kleefde, hersteld door het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en aan appellant en zijn echtgenote over de periode 1 mei 2008 tot en met 31 december 2008 bijstand toe te kennen naar de norm voor gehuwden in aanvulling op beider inkomen. Het college heeft voorts bij het nadere besluit met toepassing van artikel 13 van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2005 een verlaging van de uitkering toegepast van 10 procent gedurende zes maanden op de grond dat sprake is geweest van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

3. Appellant is het eens met de toekenning van bijstand en legt zich neer bij de opgelegde maatregel. Hij stelt zich op het standpunt dat gedeeltelijk aan zijn bezwaar is tegemoetgekomen.

4. Nu niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, strekt het geding in hoger beroep zich, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, mede uit tot het nadere besluit.

5. Appellant heeft geen gronden tegen het nadere besluit aangevoerd. Het daartegen gerichte beroep is dus ongegrond.

6. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak onder 4.5 en 4.9 is overwogen, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad, met gegrondverklaring van het beroep van appellant, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet, behoudens voor zover het ziet op de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 24 april 2008 tot en met 30 april 2008. Het besluit van 24 juli 2008 tot intrekking van bijstand met ingang van 1 november 2007, wordt herroepen voor zover dat ziet op de periode van 1 november 2007 tot 24 april 2008. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit worden in stand gelaten voor zover het ziet op de terugvordering.

7. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 november 2008 gegrond;

- vernietigt dat besluit behoudens voor zover het ziet op de intrekking en terugvordering

van bijstand over de periode van 24 april 2008 tot en met 30 april 2008;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand blijven

voor zover het ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van

29 juli 2008 tot terugvordering van bijstand;

- herroept het besluit van 24 juli 2008 tot intrekking van bijstand met ingang van

1 november 2007 voor zover het ziet op de periode van 1 november 2007 tot 24 april

2008;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 december 2011 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

HD