Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
10-6195 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een waarnemingstoelage, een tijdelijke dan wel permanente bevordering tot de rang van majoor of een daadwerkelijke bevordering tot de rang van majoor. De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om tot bevordering over te gaan, moet volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 14 januari 2010, LJN BL1610) op één lijn worden gesteld met een weigering om van een besluit terug te komen. Met betrekking tot de periode voorafgaande aan het verzoek is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Wat betreft de periode daarna kan appellant niet worden gevolgd in zijn standpunt dat uit de publicatie van de vacaturetekst moet worden afgeleid dat de door hem vervulde functie een majoorsfunctie was en dat hij naar deze rang had moeten worden bevorderd dan wel in ieder geval naar deze rang had moeten worden bezoldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6195 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 oktober 2010, 10/3019 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Landstrijdkrachten (commandant)

Datum uitspraak: 5 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G. Blonk. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is werkzaam bij de Koninklijke landmacht. Vanaf 1 mei 2003 had hij de rang van kapitein. Bij besluit van 25 mei 2005 is aan appellant de functie van uitwisselingsofficier (exchange officer) toegewezen bij het Noorse [bataljon] met als standplaats [standplaats] te Noorwegen en voor de periode van 2 januari 2006 tot 1 januari 2009. Aan deze functie was aanvankelijk de rang van majoor verbonden. Na overleg tussen de Nederlandse en Noorse autoriteiten is op 7 februari 2006 een functiebeschrijving van de desbetreffende functie opgesteld met als ingangsdatum 22 juni 2005, waarin als rang kapitein of majoor is vermeld. Hierna is op 22 november 2007, in aanvulling op de zogeheten Technical Arrangement van 5 februari 2004 bij een tussen de Nederlandse en Noorse autoriteiten gesloten Memorandum of Understanding, vastgelegd dat de desbetreffende uitwisselingsofficier de rang van kapitein of majoor heeft. Bij besluit van 28 maart 2008 is de plaatsing van appellant bij het Noorse [bataljon] verlengd tot 1 augustus 2009. Appellant is noch bij de functietoewijzing per 2 januari 2006 noch bij het besluit tot verlenging van zijn plaatsing tot 1 augustus 2009 bevorderd tot majoor.

1.2. Op 24 juni 2008 is een vacaturetekst gepubliceerd van de functie van appellant met het oog op de werving van een opvolger van appellant per 1 augustus 2009. In deze vacaturetekst is als toepasselijke rang (alleen) vermeld: majoor. Naar aanleiding van deze publicatie heeft appellant de commandant op 22 september 2008 verzocht om een waarnemingstoelage met ingang van 2 januari 2006, een tijdelijke dan wel permanente bevordering tot de rang van majoor met ingang van 2 januari 2007 of een daadwerkelijke bevordering tot de rang van majoor per de eerst mogelijke datum, maar in ieder geval niet later dan per 24 juni 2008. Bij besluit van 28 november 2008 heeft de commandant dit verzoek afgewezen. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is door de commandant bij besluit van 17 maart 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 25 mei 2005 dan wel tegen zijn salarisspecificaties en dat appellant bij zijn verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, kort samengevat, dat het verzoek van appellant moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit van 25 mei 2005. Volgens de rechtbank heeft de commandant terecht aangenomen dat geen sprake is van een novum dat aanleiding zou moeten geven tot terugkomen van dat besluit.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1. Uit de stukken komt naar voren dat voor de door appellant vervulde functie van uitwisselingsofficier geen geschikte majoor dan wel tot majoor bevorderbare kapitein kon worden gevonden. Dit heeft aanleiding gegeven tot de in 1.1 beschreven wijziging van de rang van de functie in kapitein dan wel majoor. Aan appellant is de desbetreffende functie toegewezen zonder dat hij daarbij is bevorderd tot majoor en zonder dat hem daarbij een waarnemingstoelage is toegekend. Hierin heeft appellant berust. Pas nadat op 24 juni 2008 de onder 1.2 vermelde publicatie had plaatsgevonden, heeft appellant verzocht om bevordering naar de rang van majoor dan wel om toekenning van een waarnemingstoelage. De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om hiertoe over te gaan, moet volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 14 januari 2010, LJN BL1610) op één lijn worden gesteld met een weigering om van een besluit terug te komen, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

3.2. Naar vaste rechtspraak betekent dit in een geval als hier aan de orde, waarin een duuraanspraak in het geding is, dat bij de toetsing door de bestuursrechter een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst (CRvB 27 januari 2011, LJN BP3500). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, moet de rechter zich in beginsel beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

3.3. Met betrekking tot de periode voorafgaande aan het verzoek is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De publicatie op 24 juni 2008 van een vacaturetekst van de functie van appellant, die was gericht op de werving van een opvolger van appellant per 1 augustus 2009, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Voor de periode voorafgaande aan het verzoek houdt de afwijzing daarom stand.

3.4. Wat betreft de periode daarna heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat uit de publicatie van 24 juni 2008 moet worden afgeleid dat de door hem vervulde functie een majoorsfunctie was en dat hij naar deze rang had moeten worden bevorderd dan wel in ieder geval naar deze rang had moeten worden bezoldigd. De Raad volgt appellant hierin niet. Hierbij is van belang dat, gezien de onder 1.1 vermelde afspraken tussen de Nederlandse en Noorse autoriteiten, ten tijde van het verzoek de desbetreffende functie zowel door een kapitein als door een majoor kon worden vervuld. De commandant heeft naar voren gebracht dat nadien op basis van voortschrijdend inzicht is geconcludeerd dat de functie beter kan worden vervuld door een majoor en dat de opvolger van appellant daarom een majoor moest zijn. Met de commandant, en anders dan appellant, is de Raad van oordeel dat deze gewijzigde invulling van de gemaakte afspraken per een toekomstige datum geen gevolgen heeft voor de positie van appellant in die zin dat artikel 27, vierde lid (oud), van het Algemeen militair ambtenarenreglement moet worden toegepast. Daar komt nog bij dat de commandant erop heeft gewezen, zoals door appellant is erkend, dat appellant ten tijde van het verzoek nog niet aan alle voorwaarden voldeed om te worden bevorderd tot majoor. Evenmin kan de bedoelde gewijzigde invulling van de gemaakte afspraken in de vacaturepublicatie worden gelijkgesteld met een functiewaarderingsonderzoek als bedoeld in artikel 40 van de destijds geldende Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensie. Het voorgaande brengt mee dat de weigering ook voor zover deze ziet op de periode vanaf de datum van het verzoek, in rechte stand kan houden.

4. Uit hetgeen is overwogen onder 3.1 tot en met 3.4 volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R. Schuurman.

HD