Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3246

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
10-41 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waarschuwing. Er is geen grond voor de conclusie dat het college appellant voor Springplank heeft aangemeld met een ander doel dan appellant naar betaald werk toe te leiden. Hieruit volgt dat het college niet heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Maatregel, verlaging bijstand met 50% gedurende een maand. Door niet bij de DSW te verschijnen heeft appellant niet voldaan aan zijn verplichting om gebruik te maken van het door het college aangeboden traject. Dit valt appellant volledig te verwijten. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat van appellant niet kon worden gevergd de aangeboden voorziening, in de vorm van Springplank, te accepteren. Van schending van het verbod op verplichte arbeid als bedoeld in artikel 4 van het EVRM en in artikel 8 van het IVBPR is niet gebleken. Maatregel, verlaging bijstand met 50% gedurende twee maanden. Dat met Springplank tevens wordt beoogd fraude tegen te gaan, en in zoverre zou moeten worden beschouwd als een oneigenlijk re-integratie-instrument, is niet terug te vinden in de omschrijving van het doel en de doelgroep van dit traject. Door niet bij de DSW te verschijnen heeft appellant niet voldaan aan zijn verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden traject. Dit valt appellant volledig te verwijten. Het enkele feit dat de hier in geschil zijnde gedraging heeft geleid tot een maatregel van 50% gedurende twee maanden, in plaats van één maand, omdat sprake was van recidive, leidt niet tot het oordeel dat de verplichting in strijd is met artikel 4 van het EVRM en artikel 8 van het IVBPR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/90

Uitspraak

10/41 WWB

10/720 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 28 december 2009, 09/217 (aangevallen uitspraak 1), en 24 december 2009, 09/730 (aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Nadien heeft mr. B. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Van Asperen, zich als opvolgend gemachtigde voor appellant gesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, met de gevoegde zaak met reg. nr. 10/5933 WWB, plaatsgevonden op 6 maart 2012. Voor appellant is mr. Van Dijk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Jalving.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is de behandeling van de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1 mei 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Voor hem gelden de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2. Ten aanzien van de zaak met reg.nr. 10/41 WWB.

1.2.1. De dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen (dienst) heeft appellant bij brief van 22 oktober 2008 medegedeeld dat de dienst hem actief wil begeleiden richting werk en daarover een gesprek met hem wil aangaan en dat dit gesprek zal plaatsvinden op 28 oktober 2008. Daarbij is appellant verzocht om een aantal bescheiden mee te nemen, te weten inschrijfbewijzen van uitzendbureaus, zijn curriculum vitae, een geldig legitimatiebewijs en sollicitatiebewijzen van het laatste jaar. Tijdens dit gesprek heeft de dienst aan appellant een brief van 28 oktober 2008 overhandigd waarin staat dat de dienst appellant intensief wil begeleiden richting werk, dat voor appellant derhalve een traject is ingekocht bij DSW en dat appellant zich dan ook op 3 november 2008 om 10.00 uur moet melden bij DSW. Het traject waarvoor appellant is aangemeld is het traject Springplank (Springplank). Appellant heeft zich op 3 november 2008 ziek gemeld. Tijdens een verzuimcontrole op die dag is met appellant afgesproken dat hij zich op 5 november 2008, om 13.00 uur, zal melden bij DSW. Appellant heeft daaraan gehoor gegeven.

1.2.2. Bij besluit van 6 november 2008 (besluit 1) heeft het college appellant een waarschuwing gegeven op de grond dat hij op 5 november 2008 zonder toestemming is vertrokken van zijn werkstage bij DSW en dat hij om die reden niet of niet voldoende heeft meegewerkt aan activiteiten die zijn opgedragen om de kans op werk te vergroten. Daarbij is appellant opgeroepen om zich op 7 november 2008, om 7.40 uur, te melden op zijn werkstage bij DSW.

1.2.3. Volgens een rapportage van 7 november 2008 heeft appellant zich op 7 november 2008 ziek gemeld en heeft naar aanleiding daarvan diezelfde dag een verzuimcontrole plaatsgevonden. Volgens deze rapportage heeft appellant kenbaar gemaakt dat hij niets bij DSW te zoeken heeft, dat hij bovendien ziek is en dat hij ter illustratie van dit laatste zijn broekspijpen omhoog heeft getrokken en eczeem op zijn benen heeft laten zien.

1.2.4. Bij besluit van 10 november 2008 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2008 voor de duur van een maand met 50% verlaagd, op de grond dat appellant niet heeft meegewerkt aan een door de dienst aangewezen voorziening ten behoeve van zijn arbeidsinschakeling.

1.2.5. Verzekeringsarts H. Talman van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft appellant op 11 december 2008 medisch onderzocht. In zijn rapport van die datum heeft de verzekeringsarts vermeld dat er geobjectiveerde aanwijzingen zijn voor een verminderde belastbaarheid van de rug en dat sprake is van een huidaandoening, waardoor appellant beperkingen heeft voor onder meer lang lopen en staan. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige W. Veen van het UWV in een rapportage van 5 januari 2009 als re-integratieadvies vermeld dat appellant in staat is deel te nemen aan Springplank.

1.2.6. Bij besluit van 24 februari 2009 (bestreden besluit I) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

1.3. Ten aanzien van de zaak met reg.nr. 10/720 WWB.

1.3.1. Op 12 januari 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de arbeidsdeskundige, appellant en de consulent van appellant. Tijdens dit gesprek is appellant voorgehouden dat hij met zijn beperkingen kan deelnemen aan Springplank.

1.3.2. Bij brief van 14 januari 2009 heeft de dienst wederom aan appellant meegedeeld dat de dienst appellant intensief wil begeleiden richting werk en dat voor appellant derhalve een traject is ingekocht bij DSW. Daarbij is appellant opgeroepen om zich op 19 januari 2009 om 9.00 uur te melden bij DSW.

1.3.3. Bij brief en e-mailbericht van - eveneens - 14 januari 2009 heeft appellant de dienst onder meer kenbaar gemaakt dat hij overspannen is geraakt, omdat hij continue onder stress leeft, en dat er veel stressfactoren zijn die hem belemmeren om normaal te kunnen functioneren, met het verzoek hem een paar maanden vrij te stellen van zijn sollicitatieplicht. Daarop heeft het college appellant bij brief van 19 januari 2009 het volgende medegedeeld. Blijkens de keuring bij het UWV wordt appellant voldoende arbeidsgeschikt geacht om deel te kunnen nemen aan het traject bij DSW. Het e-mailbericht van 14 januari 2009 ontheft hem dan ook niet van zijn plicht naar DSW te gaan. Appellant is verplicht om deel te nemen aan het traject. Hij dient de volgende dag, 20 januari 2009, om 7.40 uur, op zijn werkplek bij DSW te verschijnen.

1.3.4. In een rapportage van 19 januari 2009 is vermeld dat appellant op 19 januari 2009 telefonisch heeft laten weten dat hij de volgende dag niet naar DSW kon komen, en sowieso niet om 7.40 uur, vanwege verschillende afspraken en omdat zijn gezondheidsklachten zo erg zijn dat hij ’s morgens niet vroeg uit bed kan komen. Volgens deze rapportage is appellant bij die gelegenheid voorgehouden, onder verwijzing naar de keuring bij het UWV, dat hij geacht wordt deel te kunnen nemen aan Springplank en dat zijn afzegging niet wordt geaccepteerd. Voorts is hem gezegd dat hij de volgende dag gewoon wordt verwacht en dat als hij afspraken heeft staan, hij de afspraakbrieven dan kan meenemen naar DSW. Appellant heeft zich op 20 januari 2009 niet bij DSW gemeld.

1.3.5. Bij besluit van 20 januari 2009 (besluit 3) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 20 januari 2009 voor de duur van een maand met 100% verlaagd (maatregel 2). Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant nog steeds niet wil meewerken aan een door de dienst aangewezen voorziening ten behoeve van zijn arbeidsinschakeling en dat sprake is van recidive.

1.3.6. Bij besluit van 30 juni 2009 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 3 gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit in zoverre herroepen dat de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2009 voor de duur van twee maanden met 50% wordt verlaagd.

2. Bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt in de zaak geregistreerd onder nummer 10/41 WWB tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de toepasselijke bepalingen van de WWB en de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Groningen (Maatregelenverordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak 1.

De waarschuwing

4.1. Appellant heeft aangevoerd dat hij op oneigenlijke gronden is aangemeld voor Springplank en dat het college daarom heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Appellant heeft er in dit verband in de eerste plaats op gewezen dat tijdens het gesprek op 28 oktober 2008 niet is beoordeeld wat hij zelf had ondernomen om uit de bijstand te komen, maar dat hij vanwege vermoedens over de onrechtmatigheid van zijn uitkering zonder nader onderzoek naar Springplank is gestuurd. Daarbij heeft appellant vermeld dat uit de ‘Rapportage Wwb-validatie (Springplank)’ van 17 oktober 2008 blijkt dat in het verleden onderzoek is gedaan naar verzwegen vermogen en onjuiste opgave van zijn woonsituatie. In de tweede plaats heeft appellant erop gewezen dat uit een interne notitie van de dienst van 13 november 2008 blijkt dat het bedoeling was om appellant, die als een lastige klant bekend staat, uit de bijstand te werken. In de derde plaats heeft appellant er ter zitting van de Raad op gewezen dat hij niet aangewezen was op Springplank, omdat hij een studie heeft gevolgd en theoretisch gezien dan ook geen grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Volgens appellant volgt hieruit dat hem ten onrechte een waarschuwing is gegeven.

4.2. Op een door appellant ingebrachte print van de website van Springplank is vermeld dat het doel van dit traject is om “klanten met een bijstandsuitkering [te] re-integreren naar regulier werk door consequente handhaving en intensieve begeleiding naar werk in combinatie met een verplichte werkstage.” Hieruit blijkt dat Springplank - onmiskenbaar - een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening is, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Op dezelfde print is als doelgroep van Springplank vermeld: “Bijstandsgerechtigden die geen belemmeringen hebben om aan het werk te gaan, maar die weinig doen om een baan te vinden, vermoedelijk wegens gebrek aan motivatie of discipline of omdat zij zwart werken.” Het college heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat Springplank in feite is bedoeld voor bijstandsgerechtigden die geruime tijd niet meer in de arbeid ingeschakeld zijn geweest.

4.3. In het aanvullend dienstrapport van 27 januari 2009, dat is opgesteld naar aanleiding van de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2, heeft de dienst vermeld dat en waarom zij Springplank de meest aangewezen weg acht om appellant uit te laten stromen naar een reguliere dienstbetrekking. In dat verband is opgemerkt dat appellant al langere tijd is aangewezen op een bijstandsuitkering, arbeidsgeschikt is en in staat wordt geacht tot loonvormende arbeid. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten voor de conclusie dat aan de aanmelding van appellant voor Springplank een vermoeden van fraude ten grondslag is gelegd. De enkele verwijzing in de rapportage van 17 oktober 2008 - bij wijze van informatie - van eerdere fraudeonderzoeken is daarvoor onvoldoende. Wat er ook zij van de stelling van appellant dat de dienst tijdens het gesprek van 28 oktober 2008 niet aan de hand van de door hem meegebrachte stukken heeft beoordeeld wat hij zelf heeft ondernomen om uit de bijstand te komen, vast staat in ieder geval dat appellant sinds mei 1996 bijstand ontvangt en er in oktober 2008 nog steeds niet in was geslaagd algemeen geaccepteerde arbeid te vinden.

4.4. Het betoog van appellant dat hij geen grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en dus niet is aangewezen op Springplank faalt eveneens. Gelet op het feit dat appellant in oktober 2008 al twaalf jaar niet of nauwelijks arbeid had verricht en op dat moment 51 jaar was, kan niet worden gezegd dat in zijn geval de afstand tot de arbeidsmarkt gering was. Daaraan doet niet af dat appellant hoog is opgeleid.

4.5. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 is er geen grond voor de conclusie dat het college appellant voor Springplank heeft aangemeld met een ander doel dan appellant naar betaald werk toe te leiden. Hieruit volgt dat het college niet heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. De tegen de waarschuwing gerichte beroepsgrond treft daarom geen doel.

De maatregel van 50% gedurende een maand

4.6. Met betrekking tot de maatregel heeft appellant eveneens, op dezelfde gronden als weergegeven in 4.1, aangevoerd dat het college heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 treft deze beroepsgrond geen doel.

4.7. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij op 7 november 2008 ziek was en dat de dienst ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de klachten van appellant hem belemmerden om deel te nemen aan Springplank.

4.8. Zoals is overwogen in 4.2, is Springplank een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Door niet op 7 november 2008, om 7.40 uur, bij de DSW te verschijnen heeft appellant niet voldaan aan zijn verplichting om gebruik te maken van dit door het college aangeboden traject. Met zijn stelling dat hij ziek was, heeft appellant willen betogen dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

4.9. De dienst heeft appellant in december 2008 laten onderzoeken door een verzekeringsarts. Uit dat onderzoek, en het onderzoek van arbeidsdeskundige W. Veen is gebleken dat appellant weliswaar beperkingen ondervindt als gevolg van zijn rug- en eczeemklachten, maar dat hij daarmee wel in staat is deel te nemen aan Springplank. Appellant heeft geen objectieve medische gegevens aangedragen waaruit blijkt dat zijn medische situatie op 7 november 2008 anders was dan die ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts. In de door hem in bezwaar ingebrachte brief van zijn huisarts van 12 december 2008 staat dat appellant sinds twee weken last heeft van hoesten en geel/groen vies slijm en dat sprake is “van iets verscherpt ademen” en van een luchtweginfectie. Uit die brief blijkt echter niet dat appellant op medische gronden niet in staat was om op 7 november 2008, om 7.40 uur, bij DSW te verschijnen om deel te nemen aan Springplank. Dit betekent dat het appellant volledig valt te verwijten dat hij niet op die datum en dat tijdstip bij DSW is verschenen. Dat appellant er vanaf heeft gezien om naar DSW te gaan omdat hij zelf vond dat zijn gezondheidstoestand daaraan in de weg stond, doet aan de verwijtbaarheid van de gedraging niet af.

4.10. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de verplichting om deel te nemen aan Springplank in strijd is met artikel 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Appellant heeft in dit verband het volgende naar voren gebracht. Hij heeft feitelijk geen keus, omdat het niet verschijnen bij het project financiële gevolgen heeft, waardoor hij onder het bestaansminimum komt. De werkzaamheden die in het kader van Springplank moeten worden verricht zijn voor hem vernederend en hebben in zijn geval dan ook een disproportioneel en excessief karakter. Hij heeft namelijk op een later moment alsnog bij Springplank gewerkt en werd toen gedwongen moertjes aan boutjes te bevestigen.

4.11. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat van appellant niet kon worden gevergd de aangeboden voorziening, in de vorm van Springplank, te accepteren. Van schending van het verbod op verplichte arbeid als bedoeld in artikel 4 van het EVRM en in het vrijwel gelijkluidende artikel 8 van het IVBPR, zoals door appellant gesteld, is de Raad niet gebleken. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 februari 2010, LJN BL1093, zou pas sprake kunnen zijn van dergelijke verplichte arbeid, zodra van een (beoogde) deelnemer aan een voorziening, gelet op alle omstandigheden, niet (meer) verlangd kan worden de opgedragen activiteiten of werkzaamheden te verrichten vanwege het excessief of disproportioneel belastende karakter ervan en/of het totaal ontbreken daaraan van enig perspectief richting arbeidsinschakeling. Daarvan was in dit geval geen sprake. Daarbij is van belang dat appellant twaalf jaar algemene bijstand ontving en er al die tijd niet in was geslaagd algemeen geaccepteerde arbeid te vinden. De enkele omstandigheid dat appellant de werkzaamheden die hij in het kader van Springplank moet verrichten als vernederend ervaart, brengt niet met zich dat die werkzaamheden, objectief gezien, een excessief en/of disproportioneel karakter hebben.

4.12. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.11 volgt dat de tegen aangevallen uitspraak 1 aangevoerde beroepsgronden geen doel treffen. Deze uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad komt in de zaak geregistreerd onder nummer 10/720 WWB tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de toepasselijke bepalingen van de WWB en de Maatregelenverordening ook weer verwijst naar de aangevallen uitspraak 2.

5.1. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het college en de rechtbank ten onrechte hebben aangenomen dat Springplank een werkervaringstraject is, aangezien op de website van Springplank ook is vermeld dat dit traject bedoeld is om fraude tegen te gaan.

5.2. Zoals al in 4.2 is overwogen, is Springplank een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Uit de in die rechtsoverweging verwoorde doelomschrijving van Springplank blijkt dat een verplichte werkstage deel uitmaakt van dit traject. Dat met Springplank tevens wordt beoogd fraude tegen te gaan, en in zoverre zou moeten worden beschouwd als een oneigenlijk re-integratie-instrument, is niet terug te vinden in de in 4.2 verwoorde omschrijving van het doel en de doelgroep van dit traject.

5.3. Voorts heeft appellant aangevoerd dat uit een intern stuk van de dienst naar voren komt dat appellant linksom of rechtsom uit de bijstand moet, omdat hij als lastig wordt ervaren. Appellant heeft daarbij nog opgemerkt dat hij, voordat hij naar Springplank werd gestuurd, niet is beoordeeld op zijn eigen sollicitatieactiviteiten. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat hij op oneigenlijke gronden is aangemeld voor Springplank, slaagt dit betoog niet. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.5.

5.4. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij om een aantal redenen niet in staat was om op 20 januari 2009, om 7.40 uur, bij DSW te zijn.

5.5. Door niet op die datum en dat tijdstip bij DSW te verschijnen heeft appellant niet voldaan aan zijn verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden traject. Met zijn stelling dat hij daartoe om een aantal redenen niet in staat was, heeft appellant willen betogen dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

5.6. De - wisselende - verklaringen die appellant in de loop van de procedure heeft gegeven voor het niet verschijnen bij DSW op 20 januari 2009 komen er op neer dat hij die dag afspraken had en in verband met zijn gezondheidsklachten niet in staat is om vroeg zijn bed uit te komen. Wat betreft de gestelde afspraken is het enige objectieve en verifieerbare gegeven waaruit valt af te leiden dat appellant op 20 januari 2009 een afspraak had een bezoekrapport van de gemeentelijke ombudsman van die datum. Dat appellant op 20 januari 2009 de gemeentelijke ombudsman heeft bezocht, is echter onvoldoende om aan te kunnen nemen dat appellant niet in staat was om op die datum, om 7.40 uur, bij de DSW te verschijnen. Dat het voor appellant om medische redenen niet mogelijk was om op dat tijdstip bij DSW te zijn, blijkt in ieder geval niet uit het in 1.2.5 vermelde rapport van verzekeringsarts Talman van 11 december 2008. Appellant heeft geen medische gegevens aangedragen waaruit blijkt dat hij op medische gronden niet in staat was om op 20 januari 2009, om 7.40 uur, bij DSW te verschijnen om deel te nemen aan Springplank. De conclusie moet dan ook zijn dat het appellant volledig valt te verwijten dat hij niet op die datum en dat tijdstip bij DSW is verschenen.

5.7. Ten slotte heeft appellant ook in deze zaak aangevoerd dat de verplichting om deel te nemen aan Springplank in strijd is met artikel 4 van het EVRM en artikel 8 van het IVBPR. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de verdubbeling van de maatregel excessief is.

5.8. Het enkele feit dat de hier in geschil zijnde gedraging heeft geleid tot een maatregel van 50% gedurende twee maanden, in plaats van één maand, omdat sprake was van recidive, leidt niet tot een ander oordeel dan dat tot uitdrukking is gebracht in 4.11.

5.9. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.8 volgt dat de tegen aangevallen uitspraak 2 aangevoerde beroepsgronden evenmin doel treffen. Deze uitspraak komt daarom eveneens voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) B. Bekkers.

HD