Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
10-3554 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Gezamenlijke huishouding. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde in geding ook aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3554 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 juni 2010, 09/1011 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Veluwerand (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 18 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.C. Oussoren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 november 2011 heeft mr. Oussoren de Raad meegedeeld zich te onttrekken als gemachtigde van appellante.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012. Appellante is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G. Röst.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appelante heeft op 8 januari 2009 een aanvraag om bijstand ingediend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande. Appellante heeft op het aanvraagformulier opgegeven als kostganger inwonend te zijn bij haar zus [A.] op het adres [adres] en dat zij € 350,-- per maand aan woonkosten betaalt.

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 6 februari 2009 deze aanvraag afgewezen en heeft zich daarbij gebaseerd op een verslag van 3 februari 2009, waarin een weergave is te vinden van de met appellante gevoerde gesprekken op 10 december 2008 met bijstandsconsulenten H. Bosman en E.C. Laan (Laan) en op 21 januari 2009 met Laan.

1.2. Bij besluit van 19 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 februari 2009 ongegrond verklaard. Aan deze besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante geen recht op bijstand heeft, omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar zus en om die reden niet kan worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante betwist - samengevat - dat het rapport van 3 februari 2009 een juiste weergave bevat van het gesprek tussen haar en Laan. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat de maandelijkse betaling van € 350,-- wijst op een commerciële kostgangerrelatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De door de bestuursrechter te beoordelen periode bestrijkt in geval van een aanvraag om bijstand de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het besluit op die aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de periode van 8 januari 2009 tot en met 6 februari 2009 dient te worden beoordeeld.

4.2. In geschil is de vraag of het dagelijks bestuur terecht heeft aangenomen dat appellante in de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerde met haar zus.

4.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van de WWB wordt als gehuwd mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van een zorgbehoefte. Van dat laatste is in dit geval geen sprake.

4.4. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

4.5. Vaststaat dat appellante en haar zus in de periode hier in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning op het adres [adres] zodat aan het eerste criterium van artikel 3, derde lid, van de WWB, het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning, is voldaan.

4.6. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en daarmee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde in geding ook aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan. Daargelaten de stelling van appellante dat de rapportage van 3 februari 2009 een onjuiste weergave bevat van hetgeen zij op 21 januari 2009 heeft verklaard, ziet de Raad voor dit oordeel toereikende grondslag in de overige gedingstukken.

Zo blijkt uit hetgeen appellante heeft verklaard op de hoorzitting en ter zitting bij de rechtbank dat appellante met haar zus is meeverhuisd vanuit Utrecht naar Zeewolde en dat er geen kostgangerovereenkomst is opgesteld. Voorts blijkt hieruit dat appellante en haar zus gezamenlijk gebruik maken van de woonkamer en van de daarin aanwezige duurzame gebruiksgoederen, dat de zus van appellante de boodschappen doet en appellante dit voor haar rekening neemt als zij hiervoor geld heeft en dat zij regelmatig samen de maaltijden nuttigen. De situatie waarin appellante en haar zus ten tijde in geding verkeerden duidt op een zodanige mate van verbondenheid, verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar, dat de grenzen van een zuiver zakelijke kostgangerrelatie worden overschreden. De door appellante gedane betalingen aan haar zus van € 350,-- per maand moet binnen deze context als een bijdrage in de kosten van de huishouding worden aangemerkt.

4.8. Nu uit het vorenstaande volgt dat appellante in de te beoordelen periode met haar zus een gezamenlijke huishouding voerde in de zin van de WWB, kon zij om die reden niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Hieruit volgt dat het dagelijks bestuur bij het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag van appellante terecht heeft gehandhaafd.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P. Venema en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. van Dam.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB