Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
11-4399 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor toegang tot de maatschappelijke opvang. Vreemdeling. Niet in geschil is dat appellant ten tijde in geding geen rechtmatig verblijf had in Nederland, zodat hij geen aanspraak kon maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo. De Raad heeft reeds in vele uitspraken geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen. Er is geen reden om in de onderhavige situatie anders te oordelen. Appellant behoorde door zijn gezondheidstoestand ten tijde van belang niet tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van hun gezin- of privéleven, ook niet in samenhang bezien met zijn leeftijd. Niet is gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel toegelaten te worden. Gelet hierop treft het beroep op artikel 3 van het EVRM, dat een veel zwaardere norm stelt, evenmin doel. Het beroep op de Terugkeerrichtlijn kan onbesproken blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4399 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], verblijvende te [woonplaats], (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2011, 11/306 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 18 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari en mr. F.G. Veldstra.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 1950 in Egypte, verblijft sinds 1978 in Nederland. Hij is niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en heeft geen verblijfsvergunning. De afgelopen vijf jaren heeft hij op straat geleefd.

1.2. Op 17 juni 2010 heeft appellant verzocht toegelaten te worden tot voor ouderen geschikte maatschappelijke opvang.

1.3. Bij besluit van 16 september 2010 heeft het college de aanvraag voor toegang tot de maatschappelijke opvang op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen, omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft en er in zijn situatie geen positieve verplichting op het college rust om hem opvang te bieden.

1.4. Bij besluit van 17 december 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2010 onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 9 december 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 december 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank primair van belang geacht dat appellant een vreemdeling is die niet over een verblijfsrechtelijke titel beschikt. Omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven, kan niet worden geoordeeld dat de weigering van het college om appellant toe te laten tot de maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen betrokken bij deze weigering en de particuliere belangen van appellant.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het koppelingsbeginsel in zijn geval buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met de artikelen 3, 8 en 14 van het EVRM. Daarbij is met name gewezen op de leeftijd van appellant, waarbij is gesteld dat oudere mensen kwetsbaar zijn. Voorts heeft hij betoogd dat hem welbewust aan zijn lot overlaten in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Hij heeft daarbij gewezen op het feit dat hij dakloos is en geen enkel inkomen heeft. In dit verband is een beroep gedaan op het arrest van het EHRM van 21 januari 2011 inzake M.S.S. tegen België en Griekenland (nr. 30696/09, LJN BP4356). Volgens appellant blijkt uit dat arrest dat personen die in extreme armoede leven en niets hebben, niet aan hun lot mogen worden overgelaten. Dit sluit volgens appellant aan bij de consensus die op Europees en internationaal niveau bestaat op dit punt: personen zonder verblijfsvergunning moeten vertrekken, en tot dit gelukt is moeten zij voldoende eten en een veilige slaapplek krijgen. Dit is volgens appellant onlangs tevens gecodificeerd in de EU Richtlijn 2008/115/EG van 16 december 2008 (Terugkeerrichtlijn).

4.1. Niet in geschil is dat appellant ten tijde in geding geen rechtmatig verblijf had in Nederland, zodat hij ingevolge artikel 10, eerste lid van de Vw en artikel 11, tweede lid, van de Vw geen aanspraak kon maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo in de gemeente Amsterdam. Het betekent voorts dat de Raad het standpunt van het college dat de aanvraag van appellant van 17 juni 2010 op die grond niet kan worden gehonoreerd, onderschrijft.

4.2. De Raad heeft reeds in vele uitspraken, onder meer in zijn uitspraak van 26 juni 2001 (LJN AB2276), en gepubliceerd in RSV 2001, 188, geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid. De Raad heeft in het kader van deze toetsing de doelstelling van de koppelingswetgeving zoals deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, steeds aanvaardbaar geacht. De Raad ziet geen reden om in de onderhavige situatie anders te oordelen.

4.3.1. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de weigering van het college om appellant in deze situatie toe te laten tot de maatschappelijke opvang een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. Zoals de Raad in de uitspraak van 22 december 2008 heeft overwogen, merkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als “the very essence” van het EVRM aan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Indien er omstandigheden zijn die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt (EHRM 3 mei 2001, Domenech Pardo tegen Spanje, nr. 55996/00) kan er sprake zijn van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de Staat berust om de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborg. Daarbij is wel van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De Raad wijst in verband met dit laatste onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, N. tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008/91, LJN BD6647).

4.3.2. Primair is van belang dat appellant een vreemdeling is die ten tijde in geding niet rechtmatig in Nederland verbleef. Appellant heeft geen pogingen gedaan om terug te keren naar Egypte, terwijl niet is gebleken van een geldige belemmering daartoe. Ter zitting heeft hij desgevraagd verklaard dat hij niet terug wil naar Egypte, omdat hij daar geen werk en geen medische verzekering heeft. Voor wat betreft de kwetsbaarheid van appellant overweegt de Raad het volgende. Appellant is op 10 september 2010 door een psychiatrisch verpleegkundige van de GGD onderzocht. In zijn rapport heeft deze verpleegkundige geconcludeerd dat er geen duidelijke problematiek op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg aanwezig is. De beroepsgrond dat dit onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat appellant niet door een arts is onderzocht, slaagt niet. Het ligt op de weg van appellant om met een begin van substantieel bewijs voor een geslaagd beroep op het bijzondere recht op bescherming ingevolge artikel 8 EVRM te komen. Uit de in beroep overgelegde medische verklaringen van de arts C. van Melle van 26 april 2011 en van de huisarts A.J.R. van der Leij (althans V. Mirabella in opdracht van Van der Leij) van 17 juni 2011 blijkt dat appellant zich eerst op 24 januari 2011 met kortademigheidsklachten tot Van Melle heeft gewend. Deze arts constateerde oedeem aan de benen met kleine wondjes, hetgeen volgens Van Melle een signaal is om zijn “decompensatie cordis” met zorg te bekijken. Deze arts heeft als eerste stap in de behandeling ontwateringstabletten en zinkzalf voorgeschreven. Op 13 mei 2011 heeft Van der Leij diabetes mellitus type 2 en ulcus crusis/decubitus/chronische ulcus vastgesteld. Uit de in hoger beroep overgelegde brief van 7 december 2011 van Van der Leij blijkt van dan bestaande klachten aan de voet met kloven en sensibiliteitsstoornissen ten gevolge van diabetes. Uit de verklaringen van Van der Leij en Van Melle en het onderzoek van de GGD komt niet naar voren dat de fysieke en psychische gezondheid van appellant substantieel wordt bedreigd wanneer hij in de hier te beoordelen periode (17 juni 2010 tot 17 december 2010) verstoken blijft van opvang. De Raad sluit niet uit dat de medische situatie thans in relevante zin anders is, maar dat kan voor dit geding geen gevolg hebben, omdat de hier te beoordelen periode eindigt op 17 december 2010. Het college heeft overigens ter zitting verklaard dat naar aanleiding van de brief van 7 december 2011 opdracht is gegeven tot een nader medisch onderzoek. Appellant behoorde door zijn gezondheidstoestand ten tijde van belang niet tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van hun gezin- of privéleven, ook niet in samenhang bezien met zijn leeftijd (60 jaar). Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel toegelaten te worden. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt niet.

4.4. Gelet hierop treft het beroep op artikel 3 van het EVRM, dat een veel zwaardere norm stelt, evenmin doel. De situatie van appellant is niet vergelijkbaar met de situatie die aan de orde was in het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland. Appellant is geen asielzoeker, hij is gehouden om Nederland te verlaten, er is niet gebleken van een valide reden die hem belemmert om aan deze verplichting te voldoen en hij is geen kwetsbaar persoon. Hij is daardoor niet volledig afhankelijk van hulp van de overheid.

4.5. De Terugkeerrichtlijn behoefde ten tijde in geding nog niet te zijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Gedurende de uitvoeringstermijn van de richtlijn heeft ook geen implementatie plaatsgevonden. Het beroep op die richtlijn kan dan ook reeds op deze grond onbesproken blijven.

4.6. Ten slotte heeft appellant nog een beroep gedaan op de Aanbeveling CM/Rec (2011) 5 van de Raad van Europa. Aangezien hierin slechts aanbevelingen aan de Staten zijn opgenomen en geen rechten zijn gecreëerd, slaagt dit beroep van appellant niet.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.8. Nu het beroep ongegrond is, is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R. Scheffer.

HD