Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW2942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
11-6285-PV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er bestaat onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellante in haar woning een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd [R.]. De twee binnengekomen anonieme tips waren weliswaar reden om een onderzoek in te stellen, maar kunnen niet bijdragen aan het bewijs. Zoals het college in het bestreden besluit zelf al heeft overwogen, impliceert het feit dat de auto van [R.] regelmatig nabij de woning van appellante stond niet dat zij samenwoonden. De enkele verklaring die appellante tegenover de sociale recherche heeft afgelegd, zoals neergelegd in het proces-verbaal van verhoor, kan de conclusie dat sprake was van een gezamenlijke huishouding niet dragen. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging bestreden besluit. De Raad herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6285-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 september 2011, 10/2527 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

Datum uitspraak: 3 april 2012

Zitting heeft: J.N.A. Bootsma, als voorzitter van de enkelvoudige kamer

Griffier: J.M. Tason Avila

Ter zitting zijn verschenen:

appellante, vergezeld van [R.] en bijgestaan door mr. Y.E. Verkouter, advocaat;

Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 juni 2010;

-herroept het besluit van 8 maart 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 30 juni 2010;

-veroordeelt het college in de kosten van appellante in bezwaar tot een bedrag van € 1.092,50, in beroep tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad en in hoger beroep tot een bedrag van € 874, te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

De Raad is van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellante vanaf 1 juni 2009 in haar woning een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet werk en bijstand heeft gevoerd met [R.]. De besluitvorming is gebaseerd op een tweetal anonieme tips, waarnemingen, verricht in de periode van 19 november 2009 tot en met 3 februari 2010, en een verklaring die appellante op 3 februari 2010 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Het college heeft geen aanleiding gevonden voor het instellen van verder onderzoek, zoals bijvoorbeeld het afleggen van een huisbezoek, het horen van [R.], van zijn moeder, van getuigen in de buurt en/of het inwinnen van informatie over het gebruik van gas, elektriciteit en water.

De twee binnengekomen anonieme tips, dat appellante en [R.] zouden samenwonen, waren weliswaar reden om een onderzoek in te stellen, maar kunnen niet bijdragen aan het bewijs dat zij in de hier in geding zijnde periode, die loopt van 1 juni 2009 tot 8 maart 2010, een gezamenlijke huishouding voerden.

Zoals het college in het besluit van 30 juni 2010 zelf al heeft overwogen, impliceert het feit dat de auto van [R.] regelmatig nabij de woning van appellante stond niet dat zij samenwoonden. Temeer niet nu [R.] beschikte over twee bedrijfsauto's en appellante te kennen heeft gegeven dat een collega van [R.] bij haar in de straat woont.

De enkele verklaring die appellante op 3 februari 2010 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd, zoals neergelegd in het proces-verbaal van verhoor van 3 februari 2010, kan de conclusie dat sprake was van een gezamenlijke huishouding niet dragen. Appellante heeft deze verklaring in bezwaar weersproken. Naar aanleiding daarvan hebben de sociaal rechercheurs die het verhoor hebben afgenomen op de hoorzitting van de adviescommissie Wet werk en bijstand van 15 juni 2010 een toelichting gegeven. Daarbij is gebleken dat de verslaglegging van het verhoor op 3 februari 2010 op belangrijke punten onvolledig is geweest. Zo heeft appellante de verklaring niet na lezing, maar na voorlezing ondertekend, is in het verslag niet vermeld dat appellante het bestaan van een gezamenlijke huishouding in eerste instantie heeft ontkend en dat zij tijdens het verhoor in een emotionele toestand verkeerde. Het in het proces-verbaal vermelde begrip gezamenlijke huishouding is de vertaling van de sociaal rechercheurs van woorden die appellante heeft gebruikt. In het proces-verbaal is evenmin vermeld dat de gevolgen voor appellante van een schuld wegens ten onrechte genoten bijstand voor het verkrijgen van een schone lei in het kader van de schuldsanering zijn besproken. Door de wijze van verslaglegging kan achteraf niet worden vastgesteld op welk moment dit is gebeurd, zodat niet kan worden geverifieerd of ontoelaatbare druk op appellante is uitgeoefend, zoals zij heeft gesteld.

Waarvan proces-verbaal.

de griffier de voorzitter

getekend getekend

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak: 3 april 2012