Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW2937

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
09-6493 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Herziening bijstandsuitkering. Geen duidelijkheid omtrent de verblijfstitel van appellante. Appellante kan niet worden aangemerkt als een vreemdeling in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door het dagelijks bestuur niet op de hoogte te houden van het verloop en de afloop van haar vreemdelingrechtelijke procedures, waardoor het dagelijks bestuur pas later en na eigen onderzoek tot de thans voorliggende besluitvorming is kunnen overgaan. Hieruit vloeit voort dat appellante valt onder het toepassingsbereik van artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan haar zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6493 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 november 2009, 09/2915 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Goettsch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 maart 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante en haar echtgenoot hebben vanaf 11 januari 2008 bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 1 augustus 2008 heeft het dagelijks bestuur de bijstand herzien en aan appellante per 11 januari 2008 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Bij besluit van 24 november 2008 heeft het dagelijks bestuur het recht op bijstand van appellante opgeschort vanaf

1 november 2008. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat geen duidelijkheid bestaat omtrent de verblijfstitel van appellante, waardoor appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Bij besluit van 15 december 2008 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 11 januari 2008 ingetrokken. Daarbij heeft het dagelijks bestuur overwogen dat uit recent onderzoek is gebleken dat appellante geen verblijfstitel meer heeft in Nederland, waardoor zij geen recht heeft op bijstand. Gelet op de omstandigheden van dit geval heeft het dagelijks bestuur voorts besloten de gemaakte kosten van bijstand voor wat betreft de periode tussen 11 januari 2008 en 31 oktober 2008 niet van appellante terug te vorderen.

1.3. Bij besluit van 6 april 2009 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 24 november 2008 en 15 december 2008 respectievelijk niet-ontvankelijk en ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat en voor zover van belang, aangevoerd dat de bijstand ten onrechte is ingetrokken nu er niets was veranderd in haar verblijfsrechtelijke positie. Daarnaast is zij van mening dat haar ten onrechte wordt verweten dat zij de inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Ten slotte voert appellante aan dat vanwege de penibele situatie aan haar gezin bijstand had moeten worden verleend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt in dit geval van 11 januari 2008 tot en met 15 december 2008.

4.2. Op 11 juni 2008 is het dagelijks bestuur via de Immigratie- en Naturalisatiedienst in kennis gesteld van het besluit van 11 september 2007 waarbij het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2005 tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van de echtgenoot van appellante, en de intrekking van de aan appellante toegekende verblijfsvergunning ongegrond is verklaard. Omdat het dagelijks bestuur geen duidelijkheid had omtrent de verblijfsrechtelijke positie van appellante, is de bijstand bij besluit van 24 november 2008 opgeschort. Het dagelijks bestuur is vervolgens gebleken dat appellante tegen de intrekking van de verblijfsvergunning beroep had ingesteld, samen met een verzoek om een voorlopige voorziening, waarvan de uitkomst niet in Nederland mocht worden afgewacht.

4.3. Uit 4.2 volgt dat appellante niet kan worden aangemerkt als een vreemdeling in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door het dagelijks bestuur niet op de hoogte te houden van het verloop en de afloop van haar vreemdelingrechtelijke procedures, waardoor het dagelijks bestuur pas later en na eigen onderzoek tot de thans voorliggende besluitvorming is kunnen overgaan.

4.4. Hieruit vloeit voort dat appellante valt onder het toepassingsbereik van artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan haar zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden verleend.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J. Govaers en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD