Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW2920

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
09-7005 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet kon beschikken over de saldi op zijn bankrekeningen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het recht op bijstand over de hier in geding zijnde periode niet is vast te stellen, dat het college bevoegd is om de bijstand van appellant over deze periode in te trekken en dat van de bevoegdheid om geheel in te trekken gebruik kan worden gemaakt. Het college heeft op goede gronden geen aanleiding gezien om de hoogte van de terugvordering te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/7005 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2009, 09/3093 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Hoebba, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant ontvangt sinds 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een gehuwde en vanaf maart 2006 naar de norm voor een alleenstaande.

1.1. Naar aanleiding van een vermogenssignaal via het Inlichtingenbureau van de Belastingdienst heeft de sociale recherche van Amsterdam een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarbij heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht, is appellant als verdachte verhoord en is [K.] als getuige gehoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 5 februari 2009. Hieruit is volgens het college naar voren gekomen dat appellant bij aanvang van de bijstandsverlening naar de norm voor een alleenstaande beschikte over vermogen boven het vrij te laten vermogen op bankrekeningen bij OHRA en ABN AMRO. Volgens informatie van de belastingdienst bedroeg het saldo eind 2006 € 31.091,-- en eind 2007 € 22.391,--. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 1 april 2009 de bijstand van appellant over de periode van 14 maart 2006 tot en met 31 december 2008 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 35.129,38 (bruto) van hem terug te vorderen.

1.2. Bij besluit van 28 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 april 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het college aan het bestreden besluit geen compleet overzicht van de saldi en mutaties van de rekeningen van appellant ten grondslag heeft gelegd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of het vermogen over de gehele in geding zijnde periode onafgebroken boven de voor hem geldende vermogensgrens lag. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zijn in stand gelaten op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte ervan uit is gegaan dat hij heeft nagelaten inzicht te verschaffen in het verloop van de saldi van de rekeningen in de in geding zijnde periode. Hij heeft rekeningafschriften overgelegd waaruit blijkt dat de stortingen op de rekeningen zijn gedaan door zijn neef [K.], ten behoeve van wie hij de rekeningen had geopend. Het geld op deze rekeningen behoort aan [K.] toe. Appellant kon niet redelijkerwijs beschikken over de tegoeden. Appellant heeft voorts, met een beroep op de uitspraak van de Raad van 21 april 2009, BH9423, betoogd dat het college het bedrag van de terugvordering had moeten matigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant had in de periode van 14 maart 2006 tot en met 31 december 2008, naast een bij het college bekende bankrekening, twee bankrekeningen bij OHRA op zijn naam staan en één bankrekening bij ABN AMRO. Deze rekeningen waren niet bekend bij het college.

4.2. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de op de bankrekeningen staande tegoeden aan zijn neef [K.] toebehoren en dat hij niet over deze tegoeden heeft kunnen beschikken. Uit het proces-verbaal verhoor getuige van 2 februari 2009 blijkt dat [K.] heeft verklaard dat hij niet weet wie het geld op de OHRA-rekening heeft gespaard en dat appellant het enige pasje van die rekening heeft. Ook over de ABN AMRO-rekening heeft hij verklaard dat hij niet weet van wie het geld op deze rekening is. Uit de door OHRA verstrekte brieven van 21 oktober 2008 en 28 oktober 2008 blijkt dat appellant de bankrekeningen bij OHRA heeft geopend en dat er geen gemachtigden aan deze rekeningen zijn verbonden. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet kon beschikken over de saldi op zijn bankrekeningen. Door van deze rekeningen bij het college geen melding te maken heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.4. Ondanks het feit dat appellant in hoger beroep nog enkele bankafschriften heeft overgelegd, heeft hij geen volledig inzicht verschaft in het verloop van de saldi van de op zijn naam staande bankrekeningen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het recht op bijstand over de hier in geding zijnde periode niet is vast te stellen, dat het college bevoegd is om de bijstand van appellant over deze periode met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken en dat van de bevoegdheid om geheel in te trekken gebruik kan worden gemaakt.

4.5. Uit wat onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan. Omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen kan ook niet worden vastgesteld of aan appellant over een gedeelte van de periode waarover de bijstand wordt ingetrokken, wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest. Daaruit volgt dat niet kan worden beoordeeld of volledige terugvordering van kosten van bijstand tot uitkomsten leidt die voor appellant onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met het beleid beoogd wordt. Het college heeft dan ook op goede gronden geen aanleiding gezien om de hoogte van de terugvordering te matigen.

4.6. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD