Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW2553

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
08-2888 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende rekening gehouden met de psychische klachten. Naar aanleiding van een in hoger beroep door appellante overgelegde brief van de neuroloog, met betrekking tot een bij appellante vastgesteld carpaal tunnelsyndroom rechts, heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML gewijzigd. Geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze aanpassing. Geen aanwijzingen dat het Uwv met de desbetreffende beperkingen de belastbaarheid van appellante heeft overschat. Appellante kan, gelet op de bij haar bestaande belastbaarheid, de ten aanzien van haar geselecteerde functies vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2888 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ? s-Gravenhage van 15 april 2008, 07/4399 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 6 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een arbeidskundig rapport ingezonden.

Partijen hebben, al of niet door de Raad verzocht, stukken van medische en arbeidskundige aard ingezonden, waarop zij over en weer hebben gereageerd, onder het inzenden van stukken.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Namens appellante zijn stukken van medische aard ingezonden.

Het onderzoek ter zitting van een meervoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op 1 juli 2011. Appellante is verschenen met bijstand van mr. S. van der Giesen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuyt.

Het onderzoek is heropend.

Desgevraagd heeft het Uwv een arbeidskundig rapport ingezonden.

Namens appellante zijn wederom medische stukken in het geding gebracht, waarop door het Uwv is gereageerd door het inzenden van verzekeringsgeneeskundige rapporten.

De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 7 december 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante met ingang van 25 januari 2007 ingetrokken, op de grond dat zij met ingang van deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 9 mei 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Appellante wordt per 25 januari 2007 voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt geacht. De besluiten van

7 december 2006 en 9 mei 2007 rusten op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, onderscheidenlijk heronderzoek. Het besluit van 9 mei 2007 berust op het standpunt dat appellante op 25 januari 2007, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de ten aanzien van haar geselecteerde functies. Vergelijking van de zogenoemde mediane loonwaarde van die functies met het voor appellante geldende maatmanloon levert volgens het Uwv een verlies aan verdiencapaciteit op van 17,13%.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aan de hand van de beroepsgronden van appellante de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige kant van de onderhavige besluitvorming onderzocht en getoetst en die in overeenstemming met het recht bevonden.

4. In hoger beroep keert appellante zich tegen de aangevallen uitspraak met medische en arbeidskundige gronden. Zij strekken ten betoge dat het Uwv de bij appellante bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat en dat appellante om medische redenen niet in staat is alle ten aanzien van haar geselecteerde functies te vervullen. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij op de datum die in dit geding van belang is volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante door de verzekeringsarts op 7 september 2006 lichamelijk is onderzocht. Tevens heeft deze arts, alvorens een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op te stellen, dossierstudie verricht en informatie ingewonnen bij de huisarts van appellante. Daarnaast heeft de verzekeringsarts informatie van de KNO-arts bij zijn oordeel betrokken.

De verzekeringsarts heeft bij haar onderzoek vastgesteld dat ten aanzien van werken voor appellante een aantal beperkingen bestaat. Appellante is als gevolg van haar psychische problematiek en chronische neusklachten (poliepen) beperkt geoordeeld ten aanzien van zware mentale en fysieke arbeid. Voorts zijn er beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. De beperkingen heeft de verzekeringsarts neergelegd in de FML. Tijdens de hoorzitting op 28 maart 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante gezien. De bezwaarverzekeringsarts is vervolgens tot de conclusie gekomen dat met de beperkingen van appellante in de FML voldoende rekening is gehouden. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich derhalve aangesloten bij het oordeel van de verzekeringsarts. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aanwezig geacht om het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet te onderschrijven.

5.2. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank, dat met voldoende redenen is omkleed en voldoende wordt geschraagd door de gedingstukken, voor zover dat oordeel betrekking heeft op de klachten van appellante met betrekking tot de gevolgen van de poliepen, de klachten van de nek, schouders en armen en de psychische klachten.

5.3. De stukken van medische aard die appellante in hoger beroep in het geding heeft gebracht hebben de Raad geen aanleiding gegeven voor twijfel aan de juistheid van dat oordeel van de rechtbank.

5.3.1. In de brief van 16 november 2009 van de KNO-arts Lopuhaa is vermeld dat er bij appellante sprake is van een recidief en dat bij haar in januari/februari 2010 endonasale sinuschirurgie zal worden toegepast. Gezien de datum die in dit geding van belang is,

25 januari 2007, mist deze brief een wezenlijke betekenis. Dit is anders met betrekking tot de brief van deze arts van 15 augustus 2011 aan de raadsvrouw van appellante. Hierin schrijft zij dat er na de operatie van appellante, naar de Raad begrijpt op 10 januari 2007, na een maand alweer prednison noodzakelijk was. Volgens die arts was appellante niet in staat om fulltime productiewerk te verrichten. De Raad mist in deze brief echter een motivering voor dit medisch oordeel dat betrekking heeft op de arbeidskundige kant van de in geding zijnde besluitvorming. Voorts wijst de Raad erop dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van de 5 oktober 2011 te kennen geeft dat volgens de FML appellante niet geschikt is voor werkzaamheden in gebogen houding. De Raad acht voorts de nadere arbeidskundige toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 5 oktober 2011 over de bij de vervulling van de functies in te nemen lichaamshouding adequaat. Dit betekent dat de desbetreffende beroepsgrond van appellante tevergeefs steun zoekt in het oordeel van de KNO-arts.

5.3.2. Hetzelfde geldt voor het oordeel van de reumatoloog A. Schouffour, als neergelegd in diens brief van 8 november 2009. Het bij appellante verrichte onderzoek toont een alzijdige bewegingsbeperking van de schouders, met hevige pijn in de trapeziumregio. Er is evidente pijn ter plekke van de insertie m. erector spinae, aldus deze reumatoloog. Maar oriënterend neurologisch onderzoek toont geen afwijkingen. Het röntgenonderzoek toont evenmin aanwijzingen voor ossale of discale pathologie noch worden aan de schouders afwijkingen aangetroffen. Gezien de mate van klachten en de bijkomende andere problemen, zou een verwijzing naar een multidisciplinair team in overweging genomen kunnen worden, aldus deze reumatoloog. De Raad tekent hierbij aan dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 21 januari 2010 terecht erop wijst dat volgens de brief van de appellante destijds behandelende neuroloog G.A.M. Verheul van 26 september 2007 de schouderklachten van appellante zijn toegenomen in juni 2007, dus eveneens op een tijdstip dat ligt na de datum die in dit geding bepalend is.

5.3.3. De rechtbank heeft voorts overwogen dat in de FML voldoende rekening is gehouden met de psychische klachten van appellante, als door haar behandelend artsen beschreven. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien voor de benoeming van een onafhankelijk medisch deskundige. De Raad volgt ook hierin de rechtbank. In hoger beroep zijn geen medische stukken overgelegd die in een andere richting wijzen dan de rechtbank voor juist heeft gehouden.

5.4. Naar aanleiding van een in hoger beroep door appellante overgelegde brief van

2 maart 2007 van de neuroloog Verheul, met betrekking tot een bij appellante vastgesteld carpaal tunnelsyndroom rechts, heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML gewijzigd en beperkingen opgenomen ten aanzien van intensief bedienen van toetsenbord en muis, het verrichten van werkzaamheden waarbij de pols langdurig meer dan 30 graden geflecteerd staat, en repetitieve bewegingen van de handen waarbij ook kracht gezet moet worden en schroefbewegingen van de hand/arm waarbij kracht gezet moet worden. Deze aanpassing heeft er niet toe geleid dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid in een andere klasse moet worden ingedeeld. De Raad heeft geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van deze aanpassing. In het bijzonder heeft de Raad in hetgeen appellante daaromtrent heeft aangevoerd geen aanwijzingen gevonden dat het Uwv met de desbetreffende beperkingen de belastbaarheid van appellante heeft overschat.

5.5. De Raad stelt vast dat appellante, gelet op de bij haar bestaande belastbaarheid, de ten aanzien van haar geselecteerde functies kan vervullen. In hoger beroep heeft het Uwv een van de aspecten van een van die functies nader, en daarmee toereikend, toegelicht.

5.6. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. In hetgeen is overwogen in 4.4 en 4.5 ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Die kosten worden begroot op € 1449,- aan kosten van rechtsbijstand en € 69,29 aan kosten van medische inlichtingen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1518,29;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) H.L. Schoor.

JL