Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW2498

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
09-573 MPW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering toekenning van een militair invaliditeitspensioen. De door de Raad ingeschakelde deskundige acht het zeer aannemelijk dat de klachten van appellant zijn ontstaan of zijn verergerd door de ervaringen van appellant als militair tijdens de uitzending naar Libanon. De Raad volgt de bevindingen en conclusies van de deskundige. Het besteden besluit berust op een onjuiste feitelijke grondslag. De minister krijgt de opdracht de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/573 MPW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 december 2008, nr. 08/3766, (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 5 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Appellant heeft vervolgens eveneens nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Offermans. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn.

Na sluiting van het onderzoek is gebleken dat dit niet volledig is geweest. Om die reden is het onderzoek heropend.

De Raad heeft de psychiater drs. H.S.R. Witte benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. De deskundige Witte heeft bij rapport van 3 augustus 2011 schriftelijk verslag van het onderzoek uitgebracht.

Appellant heeft zijn zienswijze op het rapport van de deskundige Witte naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 23 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn mr. Offermans. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is als dienstplichtig militair vanaf 21 januari 1981 tot 3 juni 1981 uitgezonden geweest naar Libanon en ter beschikking gesteld aan UNIFIL. In januari 2006 heeft appellant verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft de minister appellant niet in aanmerking gebracht voor toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de minister bij besluit van 10 april 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de door partijen ingebrachte deskundigenrapportages is de rechtbank er van uitgegaan dat appellant in ieder geval niet lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS). De rechtbank zag aanleiding aan te sluiten bij de conclusie van psychiater M.J. van Weers dat de middelenafhankelijkheid van appellant eerder een gevolg is van al vóór de militaire diensttijd bestaande persoonskenmerken dan van zijn ervaringen in Libanon.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

4.1. De in rubriek I vermelde deskundige Witte heeft geconcludeerd dat appellant lijdt aan een chronische PTSS. De deskundige benoemt als oorzaak van de klachten van appellant de blootstelling aan existentieel bedreigende omstandigheden, het gegeven dat hij veelvuldig is beschoten, gevangen is genomen en seksueel is misbruikt. In dit kader vermeldt de deskundige ook dat appellant getuige is geweest van ernstig existentiële bedreigingen bij dienstplichtige maten. De deskundige acht het zeer aannemelijk dat deze klachten zijn ontstaan of zijn verergerd door de ervaringen van appellant als militair tijdens de uitzending naar Libanon. Voorts overweegt de deskundige nog dat er geen sprake kan zijn van een persoonlijkheidsstoornis. Hij heeft evenmin aanwijzingen kunnen vinden voor het bestaan van een ernstige persoonlijkheidsproblematiek of sociaal maatschappelijk fors ontregelen vóór de diensttijd. Voor zover sprake is van een persoonlijkheidsproblematiek acht de deskundige deze comorbide of ontstaan als reactie op de traumatische ervaringen.

4.2. Vast staat dat appellant zich kan verenigen met de bevindingen van de deskundige en dat de minister geen zienswijze heeft ingezonden naar aanleiding van het verslag van de deskundige.

4.3. Ook de Raad volgt de bevindingen en conclusies van de deskundige.

4.3.1. Daarbij is vooreerst in aanmerking genomen dat de deskundige een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft verricht, bestaande uit onder andere een eigen psychiatrisch onderzoek, kennisname en bespreking van informatie van de behandelend artsen van appellant, alsmede kennisname en bespreking van informatie uit eerdere opgestelde psychiatrische expertises (en de daarin gestelde diagnoses).

4.3.2. Voorts is de deskundige, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd, tot een stellige beantwoording gekomen van de hem voorgelegde vragen met betrekking tot de aard en de oorzaak van de klachten. Daarbij heeft de deskundige concreet en gemotiveerd aangegeven op welke onderdelen hij de onderzoeksbevindingen van de door partijen ingebrachte onderzoeksrapportages al dan niet overneemt. De deskundige heeft onder meer vastgesteld dat Van Weers en de door appellant ingeschakelde psychiater dr. R.V. Schwarz geen adequaat psychometrisch onderzoek hebben verricht naar PTSS. Waar het betreft de door Van Weers gehanteerde - en door de rechtbank gevolgde - kwalificatie van appellant als onbetrouwbaar, leugenachtig, manipulatief, opportunistisch en geneigd tot het uitsluitend verstrekken van informatie die zijn belang dient, merkt de deskundige op dat uit de literatuur over PTSS bekend is dat dergelijk gedrag ook geïnterpreteerd kan worden als een copingstrategie om regie te behouden.

4.3.3. Het rapport van de deskundige Witte is voor de Raad overtuigend. Hij volgt daarom zijn deskundige.

4.4. Vast te stellen is dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van de aanvraag van appellant berust op de bevindingen van Van Weers. Nu er aanleiding bestaat de bevindingen van de deskundige Witte te volgen, moet worden geconcludeerd dat het besteden besluit berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Het bestreden besluit schiet in zoverre tekort en komt om die reden wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

4.5. Uitgaande van de vaststelling - zoals neergelegd in het rapport van Witte - dat appellant lijdt aan ziekten of gebreken die verband houden met de uitoefening van de militaire dienst, ligt het op de weg van de minister om alsnog een onderzoek te doen naar de vraag of deze ziekten of gebreken een relevante mate van invaliditeit veroorzaken.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet, de minister op te dragen hierover alsnog te beslissen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt de minister op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) B. Bekkers.

RB