Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW2475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
10/782 AW + 10/783 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaatsing in een nieuwe organisatie. Functievolgers. De functie van Projectleider A kan worden aangemerkt als voortzetting van de oude functie. Appellanten hebben niet met concrete voorbeelden aannemelijk gemaakt dat de functie van Operationeel Leidinggevende A meer overeenkomt met hun oude functie. Bevestiging aangevallen uitspraak. Het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/782 AW

10/783 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

1. [appellant 1], wonende te [woonplaats], en

2. [appellant 2], wonende te [woonplaats], (appellanten),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2009, 08/740 en 08/748, (aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, (korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 29 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2012, waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Overdam en de korpsbeheerder door mr. Y. Kuijt.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten waren binnen de politieregio Amsterdam-Amstelland werkzaam in de functie van projectleider, met functietypering 028/09 (salarisschaal 9), bij het [afdeling] van het [district].

1.2. In het kader van een reorganisatie van de bureaus Opsporing van de districten is van appellanten in oktober 2006 bericht dat hun functie ongewijzigd terugkeert in de nieuwe organisatie en dat zij zullen worden geplaatst op de functie van Projectleider A/9. Nadat door de plaatsingscommissie advies was uitgebracht is op 18 december 2006 aan appellanten meegedeeld dat het voornemen bestond hen overeenkomstig dat advies te plaatsen op de functie van Projectleider A/9. Appellanten hebben hiertegen bedenkingen geuit. De korpsbeheerder heeft in die bedenkingen geen aanleiding gezien appellanten niet, overeenkomstig zijn voornemen, bij besluiten van 26 februari 2007 met ingang van 1 maart 2007 in de nieuwe organisatie te plaatsen bij het [afdeling] van [district] in de functie van Projectleider A. De vastgestelde rasterfunctie/functietypering is Projectleider A en de organieke schaal en feitelijke salarisschaal is schaal 9.

1.3. In bezwaar hebben appellanten het standpunt ingenomen dat de functie van Projectleider A(9) niet overeenkomt met de daadwerkelijk door hen te verrichten werkzaamheden. Deze werkzaamheden passen precies bij de functietypering van de functie Operationeel Leidinggevende A(9) en daarom zijn zij ten onrechte niet geplaatst in de functie van Operationeel Leidinggevende A.

1.4. Bij besluiten van 11 januari 2008 (bestreden besluiten) heeft de korpsbeheerder de bezwaren ongegrond verklaard en de plaatsing gehandhaafd, omdat naar het oordeel van de korpsbeheerder de essentie van de werkzaamheden van appellanten en de door appellanten met name genoemde werkzaamheden in de functietypering van Projectleider A zijn terug te vinden.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat in het beroep slechts de plaatsing op de functie Projectleider A aan de orde is en dat de functie waarin appellanten zijn geplaatst zodanige overeenkomst vertoont met hun oude functie dat deze kan worden aangemerkt als een voortzetting daarvan.

2.1. De hoger beroepen van appellanten richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vaststelling van de (inhoud van de) functietypering buiten de omvang van het geding valt. Appellanten zijn het niet eens met de wijze waarop de rechtbank de omvang van het geding heeft bepaald en stellen zich op het standpunt dat de feitelijke werkzaamheden niet stroken met de functietypering van projectleider A, maar meer overeenkomen met die van Operationeel Leidinggevende A. Tenslotte hebben zij de Raad verzocht om, wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), met (verdragsconforme) toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de door hen geleden immateriële schade, berekend op voor ieder € 1.500,-, dient te worden vergoed.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uitsluitend ter beoordeling voorligt het besluit tot plaatsing van appellanten in de functie van projectleider A en dat het geschil zich dan toespitst op de vraag of de korpsbeheerder appellanten terecht heeft aangemerkt als functievolgers, wier functie in de nieuwe organisatie geheel of nagenoeg geheel is teruggekeerd in de functie van Projectleider A. Een inhoudelijke beoordeling van de functietypering van de functie Projectleider A is hierbij niet aan de orde. Appellanten hebben van meet af aan bedenkingen geuit en bezwaar gemaakt tegen deze plaatsing, omdat zij op het standpunt staan dat de functie van Projectleider A niet overeenkomt met de daadwerkelijk door hen te verrichten werkzaamheden in hun functie van Projectleider in de oude organisatie. Zij hebben steeds aangevoerd dat de werkzaamheden, die zij bij het [afdeling] verrichten, de werkzaamheden zijn die beschreven worden in de functietypering van de functie Operationeel Leidinggevende A, welke functie eveneens voorkomt in de nieuwe organisatie van het [afdeling]. Appellanten hebben met hun bezwaar en beroep ook niet beoogd te bewerkstelligen dat de typering van de functie waarop zij zijn geplaatst inhoudelijk zou worden gewijzigd, doch gesteld dat zij als functievolgers dienen te worden geplaatst op de functie Operationeel Leidinggevende A. Het geschil is dan ook beperkt tot de vraag of de plaatsing juist is.

3.2. De Raad onderschrijft verder het oordeel van de rechtbank dat de functie van Projectleider A kan worden aangemerkt als voortzetting van de oude functie Projectleider/28/09. Vergelijking van de functiebeschrijvingen van beide functies leert dat er weliswaar op onderdelen verschillen zijn aan te wijzen en dat andere formuleringen zijn gebruikt, maar dat dit niet in zodanige mate het geval is dat de nieuwe functie niet als voortzetting van de oude kan worden aangemerkt. In essentie zijn de werkzaamheden - nagenoeg - hetzelfde en de daarbij behorende verantwoordelijkheden van dezelfde aard.

3.3. Appellanten hebben ook niet met concrete voorbeelden aannemelijk gemaakt dat de functie van Operationeel Leidinggevende A meer overeenkomt met hun oude functie van Projectleider/28/09. Door de korpsbeheerder is gesteld dat bij de functie van Operationeel Leidinggevende A meer de nadruk ligt op het leidinggeven aan een of meer vaste groepen medewerkers, waarbij een bredere visie vereist is dan bij de Projectleider A, die uitsluitend leiding geeft in het kader van een uit te voeren (opsporings)project. Vastgesteld kan worden dat dit verschil ook in de functietyperingen tot uitdrukking komt. Zo betreft een hoofdbestanddeel van de functie Operationeel Leidinggevende A de beleidsuitvoering, een aspect dat in de functie Projectleider A ontbreekt. Verder is met betrekking tot het onderdeel personeelsmanagement bij de Operationeel Leidinggevende A niet alleen sprake van het voeren van beoordelingsgesprekken, maar, anders dan bij de Projectleider A, ook van het coachen en ondersteunen van de medewerkers bij hun loopbaanontwikkeling. Onder meer hieruit blijkt dat bij de Projectleider A het accent van de functie meer ligt op het leiding geven aan een (opsporings)project, en in het verlengde daarvan aan de medewerkers van dat project slechts voor zover dat in het kader van dat project relevant is. Dit is ook geheel in de lijn van de oude functie van Projectleider/028/09, waarbij blijkens de typering van die functie de essentie van de werkzaamheden ook beperkt is tot het leiding geven aan en het tot uitvoering brengen van concreet toegewezen, wisselende projecten.

3.4. Appellanten hebben nog aangevoerd dat zij eveneens werkzaamheden verrichten in het kader van het Team Grootschalige Opsporing, waarbij het zwaartepunt ligt op operationeel leidinggeven. Dit wezenlijke element van de feitelijk opgedragen werkzaamheden komt naar hun oordeel ten onrechte niet herkenbaar terug in de functietypering van Projectleider A. Wat hiervan ook zij, dit argument kan niet leiden tot de slotsom dat appellanten hadden moeten worden geplaatst als Operationeel Leidinggevende A, nu in de typering van die functie evenmin het optreden in het kader van het Team Grootschalige Opsporing is opgenomen.

3.5. Indien en voor zover appellanten van mening zijn dat zij thans, en ook reeds voor 1 maart 2007, in betekenende mate in opdracht van het bevoegd gezag feitelijk werkzaamheden verrichten die niet bestreken worden door de typering van de functie waarin zij zijn aangesteld, dan is een verzoek om functieonderhoud de aangewezen weg om de functietypering met de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene moeten de aangevallen uitspraken worden bevestigd.

4.1. Ten aanzien van het door appellanten gedane beroep op overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het (EVRM) overweegt de Raad als volgt.

4.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

4.3. Vanaf de ontvangst door de korpsbeheerder van het bezwaarschrift van appellant De Groot op 19 april 2007 en van appellant Uiterwijk op 17 april 2007 zijn tot de datum van deze uitspraak (15 maart 2012) bijna vijf jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door de korpsbeheerder ruim acht maanden geduurd, heeft de behandeling van de beroepen bij de rechtbank vanaf de ontvangst van de beroepschriften op 22 februari 2008 tot de uitspraken op 22 december 2009 precies 22 maanden geduurd, en heeft de behandeling van de hoger beroepen door de Raad vanaf de ontvangst van de hoger beroepschriften op 4 februari 2010 tot deze uitspraak als zojuist vermeld iets meer dan twee jaar geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

4.4. De Raad verbindt hieraan, onder verwijzing naar hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 24 december 2008, LJN BG8372, de gevolgtrekking dat in deze procedures, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist op de verzoeken van appellanten om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in beide zaken, zowel in de bestuurlijke als de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek in beide zaken te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast de politieregio de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedures.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 12/1607, 12/1608, 12/1609 en 12/1610 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedures.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

HD