Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW2022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
10-2211 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Terugvordering voorschot. Het college mocht telefonisch nadere inlichtingen inwinnen over de ook na het intakegesprek gebleven onduidelijkheden over de kasstortingen op zijn bankrekeningen en over hoe appellant sinds 2006 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Aangezien als gevolg van het onvoldoende verstrekken van inlichtingen door appellant niet vastgesteld kan worden of, en zo ja, in welke mate, appellant ten tijde in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden, heeft het college de aanvraag om bijstand terecht afgewezen. Het college was bevoegd het verstrekte voorschot van appellant terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2211 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 maart 2010, 10/1049 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 10 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.H. Walkate, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Voor appellant is mr. Walkate verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Vukovic.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 7 september 2009 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft het college appellant een voorschot tot een bedrag van € 660,-- verstrekt. Nadat appellant de voor de aanvraag benodigde stukken had ingediend, is gebleken dat hij tot 2006 heeft gewerkt, laatstelijk in het restaurant van zijn broer. Niet duidelijk was waarvan appellant sindsdien geleefd heeft. Daarnaast is gebleken van een aantal kasstortingen op zijn bankrekeningen waarvan de herkomst niet duidelijk is. Teneinde hierover duidelijkheid te verkrijgen heeft een intakegesprek plaatsgehad op 12 oktober 2009. Nadien is op 10 november 2009 een huisbezoek afgelegd en op diezelfde dag telefonisch contact geweest met appellant.

1.2. Bij besluit van 11 november 2009 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over hoe hij de afgelopen jaren in zijn levensonderhoud heeft voorzien, zodat het recht op uitkering niet is vast te stellen. Bij besluit van gelijke datum heeft het college het voorschot van € 660,-- teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 28 december 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 11 november 2009 ongegrond verklaard. Aan de onder 1.2 vermelde grond voor afwijzing van de aanvraag heeft het college toegevoegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de stortingen op zijn bankrekeningen in de laatste drie maanden voorafgaand aan de aanvraag berusten op een overeenkomst van geldlening en dat appellant geen verdere verklaring voor deze stortingen heeft gegeven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 7 september 2009 tot en met 11 november 2009.

4.2. Aangezien het gaat om een voor appellant begunstigend besluit op aanvraag, is het aan hem om aannemelijk te maken dat hij recht heeft op bijstand.

4.3. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.4. Artikel 53a, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

4.5. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het college telefonisch nadere inlichtingen mocht inwinnen over de ook na het intakegesprek van 12 oktober 2009 gebleven onduidelijkheden over de kasstortingen op zijn bankrekeningen en over hoe appellant sinds 2006 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat artikel 53a van de WWB vereist dat appellant daartoe wordt uitgenodigd voor een gesprek.

4.6. De verklaringen die appellant heeft gegeven over de herkomst van de kasstortingen op zijn bankrekeningen tot een bedrag van ongeveer € 4.450,-- nemen de gerezen onduidelijkheden niet weg. Het zou gaan om aan zijn broer geleend geld, dat is teruggestort en om leningen van zijn vader ten behoeve van zijn levensonderhoud. Appellant heeft dit echter niet verifieerbaar onderbouwd, bijvoorbeeld door schuldbekentenissen over te leggen en de daadwerkelijke overdracht van gelden aan te tonen. Verder is onduidelijk gebleven waarvan appellant sinds 2006 heeft geleefd.

4.7. Aangezien als gevolg van het onvoldoende verstrekken van inlichtingen door appellant niet vastgesteld kan worden of, en zo ja, in welke mate, appellant ten tijde in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden, heeft het college de aanvraag om bijstand terecht afgewezen.

4.8. Het voorgaande leidt ertoe dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, onder d, van de WWB, bevoegd was het verstrekte voorschot ten bedrage van € 660,-- van appellant terug te vorderen. Anders dan appellant meent, houdt het bestreden besluit voor hem in zoverre geen belastend besluit in, aangezien de terugvorderingsbevoegdheid in dit geval bestaat op grond van de afwijzing van de aanvraag en niet berust op intrekking van eerder toegekende bijstand. Evenmin kan het verstrekken van een voorschot bij appellant het vertrouwen hebben gewekt dat zijn aanvraag om bijstand zou worden gehonoreerd, te minder omdat het college, zoals diens gemachtigde ter zitting heeft bevestigd, vier weken na de aanvraag ambtshalve een voorschot verstrekt.

4.9. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

HD