Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
10/3493 WWB-T + 10/3494 WWB-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. 1) Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellanten het college niet hebben gemeld dat zij inkomsten hebben ontvangen uit de in- en verkoop van auto’s. Door geen melding te maken van de transacties hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Niet aannemelijk gemaakt dat in het geval appellanten wel aan hun inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, zij over die maanden recht op (aanvullende) bijstand hadden gehad. De omstandigheid dat appellanten door de politierechter zijn vrijgesproken van het hen ten laste gelegde, doet aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is in het algemeen niet gebonden aan hetgeen door de strafrechter is geoordeeld. 2) Het beleid van het college dat een auto waarvan het kenteken langer dan drie maanden op naam van een betrokkene staat, wordt aangemerkt als een auto voor privégebruik, is niet toegepast. Het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden met auto’s die langer dan drie maanden op naam van appellant hebben gestaan, ontbeert een deugdelijke motivering. Om die reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De Raad draagt het college op om het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3493 WWB-T

10/3494 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2010, 09/3058 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 3 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de rechtbank een afschrift van haar uitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2010, 09/1551 (uitspraak van 20 april 2010), toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2012. Appellanten zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Nieuwstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç. Tevens was aanwezig H. Bassit, tolk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 16 februari 1996 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme melding, onder meer inhoudende dat appellant zou handelen in tweedehands auto’s, heeft de Afdeling bijzonder onderzoek van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is informatie opgevraagd bij verschillende instanties, waaronder de Dienst wegverkeer (RDW) en zijn appellanten op 2 april 2009 als verdachten gehoord. De bevindingen zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal dat op 14 april 2009 is gesloten en ondertekend.

1.2. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 7 april 2009, voor zover van belang, de bijstand van appellanten te herzien (lees: in te trekken) over de periode van 1 maart 2000 tot en met 31 december 2008 en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van € 55.202,51. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellanten het college niet hebben gemeld dat zij inkomsten hebben ontvangen uit de in- en verkoop van auto’s. Als gevolg daarvan heeft het college het recht op bijstand over een aantal maanden in genoemde periode niet kunnen vaststellen en hebben appellanten over die maanden dus geen recht op bijstand. Het college heeft de bijstand ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd over de maanden waarin voertuigen van de naam van appellant zijn afgevoerd: te weten maart 2000 tot en met juni 2000, september en oktober 2000, juli, september en december 2001, januari, maart, mei, juli, september en december 2002, april 2003 tot en met juni 2003, november en december 2003, februari, augustus en september 2004, januari, mei, juni, augustus en september 2005, mei, augustus, september en november 2006, februari, april, juni, september, oktober en december 2007 en januari, juni en december 2008.

1.3. Bij besluit van 8 april 2009 heeft het college de bijstand over maart 2009 ingetrokken en de kosten van bijstand over deze maand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 1.219,67. De grondslag van dit besluit is dezelfde als die van het besluit van 7 april 2009. Het college heeft daarom het recht op bijstand ingetrokken en de gemaakte kosten van appellanten teruggevorderd over de maand maart 2009 en de bijstand over de maand april 2009 niet aan hen uitbetaald.

1.4. Bij besluit van 24 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 7 en 8 april 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover het college daarbij niet heeft beslist op het bezwaar tegen het niet uitbetalen van de uitkering over de maand april 2009. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien en bepaald dat appellanten recht hebben op bijstand over de maand april 2009. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard. Primair voeren appellanten, samengevat, aan dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, dat zij geen inkomsten hebben genoten uit in- en verkoop van auto’s en dat zij over de in geding zijnde maanden dus recht op bijstand hadden. Appellanten hebben er in dit verband onder meer op gewezen dat de politierechter hen in de parallelle strafzaak heeft vrijgesproken van hetgeen hen ten laste was gelegd. Subsidiair voeren appellanten aan dat het college ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan zijn beleid dat inhoudt dat een auto waarvan het kenteken langer dan drie maanden op naam van een betrokkene staat, wordt aangemerkt als een auto voor privégebruik. Ter staving van dit betoog hebben appellanten gewezen op de uitspraak van 20 april 2010.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de beschikbare gegevens van de RDW blijkt dat in de in 1.2 en 1.3 genoemde periodes in totaal 54 autokentekens op naam van appellant hebben gestaan, doorgaans gedurende korte tijd. In de meeste gevallen eindigde de tenaamstelling, gezien de door de RDW opgegeven statuscode, met export van de betreffende auto. In de overige gevallen ging het om sloop. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 29 december 2009, LJN BK8306), is het onder deze omstandigheden aannemelijk dat met betrekking tot de auto’s op geld waardeerbare transacties hebben plaatsgevonden op de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant stond geregistreerd. Het betoog van appellanten dat het college voor de conclusie dat sprake is van op geld waardeerbare transacties niet had mogen afgaan op de verklaring van appellante faalt. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van verhoor van 2 april 2009, blijkt dat appellante heeft verklaard dat zij wist dat haar man auto’s met een lage dagwaarde kocht en vervolgens weer verkocht. Appellante is door een sociaal rechercheur verhoord met behulp van een tolk Arabisch. Ook blijkt uit het proces-verbaal dat de sociaal rechercheur de verklaring heeft voorgelezen en dat deze is vertaald door de tolk. Appellante heeft met de verklaring ingestemd en deze ondertekend. In het algemeen moet worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. In dit geval hebben zich geen zodanig bijzondere omstandigheden voorgedaan dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

4.2. Door geen melding te maken van de transacties in de 1.2 en 1.3 genoemde perioden, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Hun betoog dat zij, gelet op de lage waarde die de auto’s vertegenwoordigen, niet verplicht waren die informatie te verschaffen en dat het college hen onvoldoende voorlichting heeft gegeven over de reikwijdte van de inlichtingenverplichting slaagt niet. Het had appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat transacties met op hun naam staande auto’s van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.3. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat, in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op bijstand bestond. Appellanten stellen in dit verband dat zij geen inkomsten hebben ontvangen uit de inkoop en verkoop van auto’s. Daartoe hebben zij aangevoerd dat appellant slechts bij wijze van vriendendienst de auto’s op zijn naam heeft laten registreren om zijn neef [naam neef] (neef), wonende te Spanje, in de gelegenheid te stellen daarmee te kunnen handelen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij bij wijze van vriendendienst in maart 2009 gedurende één dag een autokenteken op zijn naam heeft gezet ten behoeve van zijn broer.

4.3.1. Controleerbare gegevens, van zowel appellant als zijn neef en broer, over de transacties, waaronder begrepen gegevens over de herkomst, financiering en verkoop/export, van de op naam van appellant gestelde auto’s ontbreken. Noch appellant noch de neef en/of de broer van appellant heeft een administratie bijgehouden. De schriftelijke verklaringen van de neef van 23 april 2009 en 18 februari 2010 zijn, zonder nadere onderbouwing met controleerbare gegevens, zoals een deugdelijke administratie, op zichzelf onvoldoende om aan te kunnen nemen dat niet appellant zelf, maar zijn neef handelde in de op naam van appellant staande auto’s. Indien de verklaringen van de neef daartoe wel voldoende zouden zijn, zou bovendien, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, moeten worden geconcludeerd dat appellant dan als tussenpersoon voor zijn neef is opgetreden en in zoverre op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Met de door appellant ingebrachte gegevens die betrekking hebben op het kenteken dat in maart 2009 gedurende één dag op zijn naam heeft gestaan, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij dat bij wijze van vriendendienst heeft gedaan voor zijn broer.

4.3.2. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.3.2 hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat in het geval zij in de in geding zijnde maanden wel aan hun inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, zij over die maanden recht op (aanvullende) bijstand hadden gehad. Hieruit volgt dat het recht op bijstand over de in geding zijnde maanden niet kan worden vastgesteld.

4.4. De omstandigheid dat appellanten door de politierechter zijn vrijgesproken van het hen ten laste gelegde, doet aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de primaire beroepsgronden geen doel treffen.

4.6. Appellanten hebben ter onderbouwing van hun subsidiaire beroepsgrond gewezen op het beleid van het college dat een auto waarvan het kenteken langer dan drie maanden op naam van een betrokkene staat, wordt aangemerkt als een auto voor privégebruik. Volgens appellanten heeft het college dit beleid in hun geval ten onrechte niet toegepast. Zij hebben er hierbij op gewezen dat een zestal auto’s, waarvan het kenteken langer dan drie maanden op naam van appellant heeft gestaan, bij de besluitvorming buiten beschouwing gelaten had moeten worden. Ter staving van dit betoog hebben appellanten gewezen op de uitspraak van 20 april 2010. Ter zitting van de Raad hebben appellanten toegelicht dat zij met dit betoog een beroep willen doen op het gelijkheidsbeginsel.

4.7. Het college heeft uitdrukkelijk weersproken dat het een beleid voert, zoals appellanten hebben omschreven. Daarnaast is volgens het college geen sprake van gelijke gevallen. De gestelde termijn van drie maanden moet niet als een absoluut gegeven worden gezien. De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting verklaard dat hij de feiten van de uitspraak van 20 april 2010 niet kent, maar dat die - vermoedelijk - anders liggen dan de feiten in de zaak van appellanten.

4.8. Evenals in de zaak van appellanten gaat het in de uitspraak van 20 april 2010 om een besluit van het college tot intrekking en terugvordering van bijstand over een groot aantal maanden op de grond dat in de betreffende maanden, kort gezegd, autotransacties hebben plaatsgevonden. Uit de uitspraak van 20 april 2010 blijkt dat het ook in die zaak ging om een groot aantal autokentekens die doorgaans gedurende betrekkelijk korte tijd op naam van de betrokkenen hadden gestaan. Voorts blijkt uit deze uitspraak dat het college daarbij uitsluitend auto’s die drie maanden of korter op naam van de betrokkenen hadden gestaan in aanmerking heeft genomen. Transacties met auto’s, die langer dan drie maanden op naam van betrokkenen hebben gestaan, zijn buiten beschouwing gelaten.

4.9. Niet in geschil is dat in het geval van appellanten een zestal auto’s langer dan drie maanden op naam van appellant heeft gestaan. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat appellanten in bezwaar en beroep, onder verwijzing naar de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 20 april 2010, al hebben gesteld dat deze auto’s ook in hun geval buiten beschouwing moeten worden gelaten. Het college heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd om welke reden in het geval van appellanten de transacties met de zes auto’s die langer dan drie maanden op naam van appellanten hebben gestaan wel in de besluitvorming zijn betrokken. Ter zitting van de Raad heeft het college niet duidelijk kunnen maken in wat voor opzicht het geval van appellanten, wat betreft de auto’s die langer dan drie maanden op naam van appellanten hebben gestaan, verschilt van het geval van de uitspraak van 20 april 2010.

4.10. Uit hetgeen is overwogen in 4.9 volgt dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden met auto’s die langer dan drie maanden op naam van appellant hebben gestaan, een deugdelijke motivering ontbeert. Om die reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten niet in stand kan blijven.

5. Bezien dient vervolgens te worden welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand gelaten worden en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Derhalve bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R. Schut en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) R. Scheffer.

HD