Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1959

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
09/6148 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit dat betrokkene geen recht heeft op een uitkering wegens ongeschiktheid tot werken. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is de brief van 29 juli 1985 gericht op rechtsgevolg. Nu de (naar huidig recht als een besluit aan te merken) beslissing van appellant van 29 juli 1985 is gericht op rechtsgevolg kan van een nietig besluit geen sprake zijn. De door betrokkene gestelde gebreken had betrokkene door het aanwenden van rechtsmiddelen aan de orde kunnen stellen. Dit is echter niet gebeurd. Nu betrokkene geen gronden heeft aangevoerd inhoudende dat appellant zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten opzichte van het besluit van 29 juli 1985 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanwezig zijn, treft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6148 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2009, 08/4272 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te Marokko (betrokkene).

Datum uitspraak: 30 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs en betrokkene door mr. De Roy van Zuydewijn.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 16 september 2008 heeft appellant - voor zover hier van belang - gehandhaafd de weigering terug te komen van het gestelde in de brief van een toenmalige uitvoeringsinstelling van een rechtsvoorganger van appellant (hierna eveneens appellant) van 29 juli 1985, welke brief naar de opvatting van appellant dient te worden aangemerkt als een besluit inhoudende dat betrokkene geen recht heeft op een uitkering wegens ongeschiktheid tot werken.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 september 2008 gegrond verklaard, het besluit van 16 september 2008 voor zover beschreven in 1 vernietigd en bepaald dat appellant voor dat deel van het besluit een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

2.2. De rechtbank heeft hiertoe - kort samengevat - overwogen dat de brief van 29 juli 1985 niet als besluit kan worden aangemerkt, omdat met deze brief geen rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen. Naar het oordeel van de rechtbank kan nu aan betrokkene anderszins geen besluiten zijn gezonden ter zake van de toekenning of stopzetting/intrekking van een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid geen sprake zijn van het terugkomen van een eerder besluit.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de brief van 29 juli 1985 rechtsgevolg ontbeert en niet als besluit kan worden aangemerkt.

3.2. Betrokkene heeft zich in verweer achter de aangevallen uitspraak gesteld. Betrokkene heeft betoogd dat de brief van 29 juli 1985 niet de meest elementaire kenmerken van een besluit heeft. De brief is niet gesteld in voor beroep vatbare vorm, bevat niet de gronden waarop het besluit rust, bevat geen verwijzing naar enig wetsartikel, vermeldt niet dat er beroep kan worden ingesteld, vermeldt niet waar er beroep kan worden ingesteld en vermeldt niet binnen welke termijn dat zou moeten.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene in Nederland werkzaamheden heeft verricht en in mei 1981 ziek is geworden. Aan betrokkene is met ingang van 28 april 1982 een voorschot toegekend op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Betrokkene is in juni 1982 definitief naar Marokko vertrokken.

4.3. Tussen partijen is evenmin in geschil dat door appellant aan betrokkene na zijn vertrek naar Marokko geen betalingen zijn gedaan en dat aan betrokkene over zijn rechten op een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid geen schriftelijke mededelingen zijn gedaan. De in het dossier van appellant opgenomen brieven ter zake zijn - naar appellant heeft gesteld omdat betrokkene zijn adreswijziging niet had gemeld - niet aan betrokkene verzonden. Evenmin is in geschil dat betrokkene zich na aankomst in Marokko niet tot appellant heeft gewend met het verzoek om uitbetaling van een uitkering waarop hij meende recht te hebben, dan wel met een verzoek om opheldering over zijn rechten op uitkering.

4.4. Vast staat voorts dat betrokkene zich in Marokko herhaaldelijk met ziekmeldingen heeft gewend tot de Caisse Nationale de Sécurité Sociale. Tot een uitkering van appellant aan betrokkene hebben deze meldingen nimmer geleid. Deze meldingen hebben overigens wel geleid tot een brief van appellant aan de Caisse Nationale de Sécurité Sociale met het verzoek geen rapporten meer in te zenden, omdat er geen recht op uitkering op grond van Nederlandse wetgeving voor betrokkene bestaat.

4.5.1. Bij brief van 29 juli 1985 heeft appellant aan betrokkene een overzicht verstrekt van hetgeen was geschied nadat betrokkene bij brief van 18 mei 1982 ervan in kennis was gesteld dat aan hem een voorschot als bedoeld in 4.2 werd verstrekt. Deze brief heeft als onderwerp: “Intrekking AAW/WAO uitkering”. In deze brief is vermeld dat besluiten ter zake van de rechten op uitkering van betrokkene - en overigens ook de besluiten tot terugvordering van onterecht aan hem betaalde uitkering - niet naar hem zijn verzonden, omdat het adres van betrokkene niet bekend was.

4.5.2. Voorts is in deze brief vermeld dat betrokkene in 1983 opnieuw te kennen heeft gegeven dat hij sedert 1 juli 1982 in Marokko arbeidsongeschikt was en dat de afdeling Ziektewet heeft medegedeeld dat deze ziekmelding niet kon worden geaccepteerd, omdat de verzekering van betrokkene sedert 29 april 1982 was vervallen.

4.5.3. Verder is in deze brief vermeld dat betrokkene uit de gang van zaken heeft kunnen afleiden dat zijn uitkering wegens arbeidsongeschiktheid met ingang van 19 mei 1982 was stopgezet en dat latere meldingen derhalve niet meer konden worden geaccepteerd.

4.6.1. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant met de brief van 29 juli 1985 duidelijkheid willen verschaffen over de feitelijk in 1982 stopgezette betalingen die verband hielden met door betrokkene gestelde ongeschiktheid tot werken. Omtrent de rechten die ten grondslag lagen aan deze betalingen bestonden mede gelet op de ziekmeldingen van betrokkene bedoeld in 4.4 kennelijk onduidelijkheden. Uit deze brief blijkt onmiskenbaar dat appellant van opvatting is dat betrokkene sedert 19 mei 1982 geen recht had op een uitkering wegens ongeschiktheid tot werken. Nu dit standpunt van appellant - daargelaten wat de reden daarvoor is geweest - niet eerder schriftelijk aan betrokkene is meegedeeld, is de brief van 29 juli 1985 gericht op rechtsgevolg. Met deze brief wordt voor het eerst op schriftelijke wijze vastgelegd en aan betrokkene kenbaar gemaakt dat betrokkene met ingang van 19 mei 1982 geen recht heeft op een uitkering wegens ongeschiktheid tot werken.

4.6.2. Het standpunt van betrokkene als weergegeven in 3.2 leidt niet tot een ander oordeel dan weergegeven in 4.6.1. Gebreken aan een besluit als door betrokkene vermeld, leiden niet tot de nietigheid van een besluit, maar tot de vernietigbaarheid. Nu de (naar huidig recht als een besluit aan te merken) beslissing van appellant van 29 juli 1985 is gericht op rechtsgevolg kan van een nietig besluit geen sprake zijn. De door betrokkene gestelde gebreken had betrokkene door het aanwenden van rechtsmiddelen aan de orde kunnen stellen. Dit is echter niet gebeurd.

4.7. Uit hetgeen is overwogen in 4.6.1 en 4.6.2 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

5.1. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen overweegt de Raad als volgt.

5.2. Het besluit van appellant van 16 september 2008 berust op de overweging dat betrokkene ten opzichte van het besluit van 29 juli 1985 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb naar voren heeft gebracht. Betrokkene heeft zich in beroep en in hoger beroep ook niet op het standpunt gesteld dat zich nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in dit artikel hebben voorgedaan, maar zich op het standpunt gesteld dat nimmer is beslist over het recht van betrokkene op uitkering wegens ongeschiktheid tot werken. Het door betrokkene ingenomen standpunt volgt de Raad zoals blijkt uit hetgeen is overwogen in 4.6.1 en 4.6.2 niet. Nu betrokkene geen gronden heeft aangevoerd inhoudende dat appellant zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten opzichte van het besluit van 29 juli 1985 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanwezig zijn, treft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 september 2008 geen doel.

5.3. Het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 september 2008 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J. Brand en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2012.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) K.E. Haan.

JL