Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
10/776 WUBO + 10/778 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1)Weigering WUBO-uitkering. De beperkingen van betrokkene vloeiden niet voort uit de geverifieerde oorlogscalamiteiten, maar uit traumatische ervaringen die betrokkene heeft opgedaan toen hij in de Bersiap-periode gedurende enige tijd in een vrouwenkamp verbleef. Betrokkene heeft aangegeven dat hij daar, als 13 jarige jongen, moest overnachten bij de Gurkha’s en getuige is geweest van heftige seksuele uitspattingen van Gurkha’s met Indonesische vrouwen.Wandaden van de Gurkha’s kunnen, hoe verwerpelijk op zichzelf ook, voor de toepassing van artikel 2 van de Wubo niet vergelijkbaar zijn met het optreden van de Japanse bezetter, noch ook met dat van Indonesische opstandelingen of vrijheidsstrijders. Evenmin kunnen zij worden aangemerkt als bijzondere oorlogsgebeurtenissen met een persoonlijk karakter in de zin van het beleid inzake sequentiële oorlogstraumatisering. Het optreden van de Gurkha’s is op één lijn te stellen met algemene oorlogsomstandigheden waaraan een ieder in meerdere of mindere mate heeft blootgestaan.

Voorts voldoet betrokkene niet aan de voorwaarden van het beleid van verweerder om als blijvend invalide te kunnen worden aangemerkt.

2) Het meemaken van de seksuele uitspattingen van de Gurkha’s kan niet als vervolging in de zin van de Wuv worden aangemerkt. Daarbij is reeds doorslaggevend dat deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden na afloop van de periode waarop de Wuv betrekking heeft. Ook voor de toepassing van de Wuv moeten de uitspattingen daarom buiten beschouwing blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/776 WUBO Q.

10/778 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

en

1. de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad,

2. de Raadskamer WUV van de Pensioen en Uitkeringsraad,

thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 5 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Deze gedingen, die aanvankelijk zijn gevoerd door de Raadskamer WUBO onderscheidenlijk de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), zijn in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO onderscheidenlijk Raadskamer WUV van de PUR.

[betrokkene] (betrokkene) heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 december 2009, kenmerk BZ 9123, JZ/K70/2009 (bestreden besluit 1). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Betrokkene heeft tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 december 2009, kenmerk BZ 48404, JZ/K70/2009 (bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2011. Betrokkene is daar verschenen, bijgestaan door mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat, en door drs. J.J.B. den Hollander, arts (n.p.). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

Na deze zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en een deskundige benoemd.

Op 22 november 2011 is betrokkene overleden.

Appellanten hebben als zijn rechtverkrijgenden de procedure voortgezet.

De gedingen zijn opnieuw behandeld ter zitting van 23 februari 2012. Daar is betrokkenes weduwe [naam weduwe]h verschenen, bijgestaan door mr. Schenkhuizen en drs. Den Hollander. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren in 1932 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in augustus 2008 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en vervolgde in de zin van de Wuv, en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van deze wetten.

1.2. Bij besluiten van 5 maart 2009 heeft verweerder erkend dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Ook heeft verweerder betrokkene erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest in de kampen De Wijk te Soerabaja, LOG te Tangerang, Grogol te Batavia en Baros 5 te Tjimahi. De aanvraag op grond van de Wubo is echter afgewezen. Daartoe is overwogen dat betrokkene psychische klachten heeft die verband houden met het meegemaakte oorlogsgeweld, maar dat deze niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit. De aanvraag op grond van de Wuv is voor zover hier van belang afgewezen wat betreft een periodieke uitkering. Daartoe is overwogen dat de causale psychische klachten bij betrokkene niet hebben geleid tot verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten.

1.3. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

De Wubo

3.1. In artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt omschreven wie onder burger-oorlogsslachtoffers worden verstaan. Tot deze groep behoren degenen die in de oorlogsjaren 1940 1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen ten gevolge van:

- met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende machten;

- confrontatie met extreem geweld tegen derden door de vijandelijke machten.

Mede wordt als burger-oorlogsslachtoffer aangemerkt degene die in de na oorlogse jaren in het voormalig Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiapperiode) als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen bij ongeregeldheden die zich nauw aansluitend aan de oorlog aldaar hebben voorgedaan en die naar aard en gevolgen vergelijkbaar zijn met de hierboven bedoelde omstandigheden.

Daarbij geldt voor zover hier van belang als eis dat de betrokkene ten gevolge van dit letsel blijvend invalide is geworden.

3.2. Van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo acht verweerder sprake indien de betrokkene beperkingen heeft in minstens twee van de vier rubrieken die de American Medical Association (AMA) kent, te weten (1) dagelijkse activiteiten, (2) sociaal functioneren, (3) concentratie, doorzettingsvermogen en tempo en (4) aanpassing aan stressvolle omstandigheden. Deze maatstaf is door de Raad in vaste rechtspraak aanvaard.

3.3. Vast staat dat betrokkene onder meer beperkingen ondervond in het seksueel functioneren. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze beperkingen niet in de beoordeling kunnen worden meegenomen. Zij vloeiden niet voort uit de geverifieerde oorlogscalamiteiten, maar uit traumatische ervaringen die betrokkene heeft opgedaan toen hij in de Bersiap-periode gedurende enige tijd in een vrouwenkamp verbleef. Betrokkene heeft aangegeven dat hij daar, als 13 jarige jongen, moest overnachten bij de Gurkha’s en getuige is geweest van heftige seksuele uitspattingen van Gurkha’s met Indonesische vrouwen.

3.4. De Raad onderschrijft de opvatting van verweerder dat de uitspattingen van de Gurkha’s niet onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Doel en strekking van die wet verzetten zich daartegen. De Gurkha’s waren Brits-Nepalese militairen die aan de zijde van de geallieerden hebben gevochten om een einde te maken aan de Japanse bezetting. Daarna hebben zij zich vooral gericht op het stabiliseren van de situatie en op het herstel van orde en veiligheid. Hun aanwezigheid in Nederlands-Indië was dus niet van vijandelijke aard. Dit betekent dat wandaden van de Gurkha’s hoe verwerpelijk op zichzelf ook voor de toepassing van artikel 2 van de Wubo niet vergelijkbaar zijn met het optreden van de Japanse bezetter, noch ook met dat van Indonesische opstandelingen of vrijheidsstrijders. Evenmin kunnen zij worden aangemerkt als bijzondere oorlogsgebeurtenissen met een persoonlijk karakter in de zin van het beleid inzake sequentiële oorlogstraumatisering (SOT). Het optreden van de Gurkha’s op één lijn te stellen met algemene oorlogsomstandigheden waaraan een ieder in meerdere of mindere mate heeft blootgestaan.

3.5. Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft de Raad de psychiater prof. dr. G.F. Koerselman benoemd tot deskundige. Hem is verzocht betrokkene te onderzoeken en verslag uit te brengen over de aard en de oorzaak van diens psychische klachten, alsmede over de daaruit voor betrokkene voortvloeiende beperkingen voor zover deze kort gezegd - al dan niet (mede) verband houden met de uitspattingen van de Gurkha’s. Als gevolg van het overlijden van betrokkene heeft het psychiatrisch onderzoek door Koerselman echter geen doorgang kunnen vinden.

3.6. In de wél beschikbare gegevens van medische aard is onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat verweerder ten onrechte is afgegaan op het in bezwaar uitgebrachte advies van zijn geneeskundig adviseur, de arts R. Loonstein. De Raad overweegt daartoe het volgende.

3.6.1. Het advies van Loonstein is onder meer gebaseerd op het rapport van een onderzoek door de arts P.M.A. Cremers, alsmede op een persoonlijk onderhoud dat Loonstein in de bezwaarfase met betrokkene heeft gehad. Van de door appellanten gestelde toezegging van verweerder dat betrokkene in bezwaar zou worden onderzocht door een psychiater is niet kunnen blijken. Voor het oordeel dat Loonstein onzorgvuldig heeft gehandeld of onvoldoende in staat was de medische situatie van betrokkene te doorgronden, zijn geen aanknopingspunten gevonden.

3.6.2. Loonstein is tot de conclusie gekomen dat de beperkingen in het seksueel functioneren van betrokkene voortvloeiden uit psychische klachten die geheel moeten worden toegeschreven aan het op jeugdige leeftijd meemaken van seksuele handelingen door de Gurkha’s. De Raad acht de beschouwingen van Loonstein op dit punt inzichtelijk, concludent en in overeenstemming met de door appellanten zelf aangedragen gegevens.

3.6.3. Indien de invloed van de uitspattingen van de Gurkha’s buiten beschouwing wordt gelaten, ziet Loonstein nog wel een geringe tot matige beperking in de rubriek aanpassing aan stressvolle omstandigheden, maar geen relevante beperkingen in de rubriek dagelijkse activiteiten of in de andere twee aan de AMA ontleende rubrieken. De van de zijde van appellanten ingebrachte rapporten van de psychiater H.E. Sanders en de uiteenzettingen van de arts Den Hollander doen aan deze conclusie van Loonstein onvoldoende af. De zienswijze van die medici komt erop neer dat aard en ernst van de psychische klachten van betrokkene in hoge mate zijn onderschat. Het gaat hier echter niet om de psychische aandoening als zodanig, maar om de beperkingen die betrokkene als gevolg daarvan ondervond. Op grond van het onder 3.2 omschreven beleid wordt psychische invaliditeit in de zin van de Wubo slechts aanwezig geacht indien zich in aanmerking te nemen beperkingen voordoen in meer dan één van de AMA rubrieken. Voor het oordeel dat bij betrokkene sprake was van beperkingen in meer dan één rubriek bieden de beschouwingen van Sanders en Den Hollander geen enkele gerichte steun. Hierbij is nog van belang dat het gaat om de situatie ten tijde van de aanvraag, toen betrokkene reeds was gepensioneerd. Beperkingen die betrokkene nog tijdens zijn werkzame leven heeft ondervonden in zijn beroepsmatig functioneren als tandarts, kunnen daarom niet worden meegenomen.

3.6.4. Het verzoek van appellanten om Koerselman of een andere psychiater te vragen om op grond van de stukken alsnog een oordeel te geven over de beperkingen van betrokkene overeenkomstig de AMA classificatie, komt onder deze omstandigheden niet voor inwilliging in aanmerking. Daarbij is nog van belang dat aan de resultaten van een onderzoek op deze beperkte grondslag voor zover al uitvoerbaar geenszins dezelfde overtuigingskracht zou toekomen als aan de uitkomst van een onderzoek aan de persoon. De Raad betreurt dat het niet meer tot zo’n persoonlijk onderzoek heeft kunnen komen, maar moet dit thans als een gegeven aanvaarden.

3.7. Nu betrokkene, wat betreft zijn psychische klachten, slechts in aanmerking te nemen beperkingen had in één van de vier aan de AMA ontleende rubrieken, is aan de eisen van het onder 3.2 omschreven beleid niet voldaan. Er zijn geen bijzondere omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan verweerder niet onverkort aan dit beleid had mogen vasthouden.

3.8. Met betrekking tot de lichamelijke klachten van betrokkene is niets aangevoerd dat aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, ingenomen standpunt dat causaal verband met de erkende oorlogscalamiteiten ontbreekt.

3.9. Het bestreden besluit 1 houdt dus in rechte stand. Het daartegen gerichte beroep moet ongegrond worden verklaard.

De Wuv

4.1. Om op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wuv voor een periodieke uitkering in aanmerking te komen, moet de vervolgde buiten staat zijn een inkomen te verwerven dat gelijk is aan de ingevolge artikel 8 vastgestelde grondslag. Dit moet het gevolg zijn van ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Bij personen die, zoals betrokkene, niet (meer) zijn aangewezen op inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf, hanteert verweerder hierbij de maatstaf dat sprake moet zijn van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten. Deze maatstaf is door de Raad in vaste rechtspraak aanvaard.

4.2. Van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten is volgens het beleid van verweerder sprake indien matige beperkingen bestaan in drie van de vier aan de AMA ontleende rubrieken, dan wel matige beperkingen in één rubriek en aanzienlijke of ernstige beperkingen in een andere. Ook deze maatstaf is door de Raad aanvaard.

4.3. Met juistheid heeft verweerder overwogen dat het meemaken van de seksuele uitspattingen van de Gurkha’s niet als vervolging in de zin van de Wuv kan worden aangemerkt. Daarbij is reeds doorslaggevend dat deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden na afloop van de periode waarop de Wuv betrekking heeft. Ook voor de toepassing van de Wuv moeten de uitspattingen daarom buiten beschouwing blijven.

4.4. Aansluitend bij hetgeen reeds onder 3.5 tot en met 3.8 is overwogen, moet dan worden geconcludeerd dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in het geval van betrokkene van relevant verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten geen sprake is geweest.

4.5. Ook bestreden besluit 2 houdt dus in rechte stand. Het daartegen gerichte beroep moet eveneens ongegrond worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) B. Bekkers.

HD