Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1750

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
10-4585 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Toereikende grondslag voor het oordeel dat appellante en de partner hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Dat de partner veel bij haar is “vanwege de problemen in de straat,” en doordeweeks driemaal per week meegaat naar de sporttrainingen van de kinderen van appellante is onvoldoende voor de conclusie dat is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Vaststaat dat geen sprake was van financiële verstrengeling tussen appellante en de partner. Vernietiging besluit.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 3, geldigheid: 2012-04-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/122
JWWB 2012/73

Uitspraak

10/4585 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2010, 09/2635 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

Datum uitspraak: 3 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.W. Ketelaars, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 21 februari 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 5 oktober 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij was vanaf 5 juli 2007 woonachtig op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Naar aanleiding van een anonieme tip, inhoudende dat appellante samenwoont met [naam partner] (partner), is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft het Team handhaving Sociale Zekerheid dossieronderzoek verricht en informatie opgevraagd bij verschillende instanties en heeft de sociale recherche observaties verricht, het bedrijfsprocessensysteem van de politie geraadpleegd, getuigen gehoord en appellante en de partner op 21 november 2008 verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport dat op 28 november 2008 is afgesloten (onderzoeksrapport). Op grond van de bevindingen heeft het college geconcludeerd dat appellante en de partner een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB.

1.2. Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB de aan appellante verleende bijstand opgeschort met ingang van 21 november 2008.

1.3. Bij besluit van 19 december 2008, verzonden 8 januari 2009, heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB, de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 21 november 2008. Voorts heeft het college met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand ingetrokken over de periode van 1 juli 2008 tot 1 december 2008 en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 6.837,--.

1.4. Naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar tegen het in 1.3 genoemde besluit heeft het college bij besluit van 17 juni 2009 (bestreden besluit) dit besluit herroepen. Het college heeft met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand ingetrokken over de periode van 1 juli 2008 tot en met 8 januari 2009. Voorts heeft het college de bijstand beëindigd per 9 januari 2009.

De gemaakte kosten van bijstand zijn van appellante teruggevorderd over de periode van 1 juli 2008 tot en met 1 december 2008. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan mededeling te hebben gedaan, vanaf 1 juli 2008 een gezamenlijke huishouding heeft met de partner.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij betwist dat zij in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met de partner. Appellante betwist zowel het gezamenlijk hoofdverblijf als de wederzijdse zorg.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a van de WWB, bepaalt dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van hen sprake is van zorgbehoefte.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat de onderzoeksgegevens een toereikende grondslag bieden voor het oordeel dat appellante en de partner ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Terecht heeft de rechtbank in het bijzonder betekenis gehecht aan de door appellante afgelegde verklaring. Het betoog van appellante dat haar verklaring uit zijn verband is getrokken en dat de sociale recherche “verkeerde” bewoordingen heeft gebruikt, slaagt niet. Appellante is op haar verzoek verhoord in het bijzijn van de partner. Zij heeft verklaard dat de partner vanaf juli 2008 zijn hoofdverblijf bij haar heeft aan de [adres 1]. Zij is in de gelegenheid gesteld haar verklaring door te lezen. Zij heeft in haar verklaring volhard en deze zonder voorbehoud ondertekend. De partner heeft de inhoud van de verklaring van appellante bevestigd, zijn eigen verklaring doorgelezen, daarbij volhard en deze ondertekend. Ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, mag in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. Niet is gebleken dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De verklaring van appellante vindt voorts steun in de verklaring van de buurtbewoners en de buurtbrigadier, de bevindingen van de observaties en uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie. Aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is daarom voldaan.

4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5. Wat betreft de zorg van appellante voor de partner komt uit het proces-verbaal van het verhoor van 21 november 2008 (proces-verbaal) uitsluitend naar voren dat appellante de partner onderdak heeft verleend zonder dat hij daarvoor een vergoeding was verschuldigd. Wat betreft de zorg van de partner van appellante komt uit het proces-verbaal naar voren dat de appellante te kennen heeft gegeven dat de partner veel bij haar is “vanwege de problemen in de straat.” In dat verband heeft appellante verklaard: “ik word veel bedreigd vanuit de buurt. Daarom is mijn vriend dus voor de veiligheid van de kinderen.” Voorts komt uit het proces-verbaal naar voren dat bij het periodiek netwerkoverleg met Bureau Jeugdzorg, de stichting ORO en de politie ook de partner aanwezig is. Daarnaast heeft appellante volgens een in het onderzoeksrapport opgenomen verslag van een gesprek op 4 september 2008 verklaard dat de partner doordeweeks driemaal per week meegaat naar de sporttrainingen van de kinderen van appellante.

4.6. De in 4.5 vermelde feiten en omstandigheden zijn noch op zichzelf noch in samenhang bezien voldoende voor de conclusie dat in de periode in geding is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Vaststaat dat geen sprake was van financiële verstrengeling tussen appellante en de partner in de in 4.4 bedoelde zin. Uit de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder het proces-verbaal, blijkt niet of, en zo ja, in welk opzicht appellante in de periode in geding in meer zorg voorzag aan de partner dan het uitsluitend ‘om niet’ verlenen van onderdak. Uit het proces-verbaal valt ook niet op te maken dat appellante en de partner tijdens het verhoor zijn bevraagd over andere feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij voorzagen in zorg voor elkaar. De zorgelementen van de partner zijn evenmin van zodanig gewicht dat moet worden aangenomen dat de partner in de periode in geding zorg verleende aan appellante in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. Overigens valt uit de beschikbare gegevens niet af te leiden dat sprake was van een reële bedreiging vanuit de buurt van appellante en/of haar kinderen en evenmin hoe vaak het in 4.5 bedoelde periodiek netwerkoverleg plaatsvond.

4.7. Uit hetgeen is overwogen in 4.5 volgt dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat in de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet in dit geval geen grond om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de Raad evenmin ruimte. Een opdracht aan het college op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. Derhalve bepaalt de Raad dat het college opnieuw op het bezwaar van appellante tegen het (primaire) besluit van 19 december 2008 beslist.

4.8. Met het oog op het nieuw te nemen besluit overweegt de Raad nog het volgende.

Indien het college niet kan vaststellen dat in de periode in geding wordt voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg, maar wel twijfels heeft over de woon- en leefsituatie van appellante in die periode vanwege het hoofdverblijf van de partner op haar adres, dan is het niet aanvaardbaar dat het college ‘uitwijkt’ naar de grond dat als gevolg van het niet of onvoldoende verstrekken van inlichtingen over de woon- en leefsituatie het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In die situatie kan het recht op bijstand in de periode in geding wel worden vastgesteld. Appellante is immers in die periode te beschouwen als een alleenstaande ouder die de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander kan delen. Zij heeft dan recht op bijstand met een met toepassing van de Toeslagenverordening van de gemeente Helmond vast te stellen toeslag. Zie hiervoor de uitspraak van de Raad van 31 mei 2011, LJN BQ7881.

5. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- vernietigt het besluit van 17 juni 2009;

- bepaalt dat het college opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van deze

uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R. Schut en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB