Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1749

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
11-6024 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Geen recht op WIA-uitkering. Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de in bezwaar en in beroep aangevoerde gronden. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6024 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

P R O C E S-V E R B A A L

van de mondelinge uitspraak op 23 maart 2012

Zitting heeft: mr. J.P.M. Zeijen

Griffier: H.L. Schoor

Uitspraak op het hoger beroep van [appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 augustus 2011, 11/91 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Ter zitting is verschenen:

Het Uwv, vertegenwoordigd door mr. M.W.A. Blind.

Appellante is niet verschenen.

De Centrale Raad van Beroep,

rechtdoende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 2 december 2010. Bij dit besluit heeft het Uwv zijn besluit dat voor appellante per 21 april 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, gehandhaafd.

Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de in bezwaar en in beroep aangevoerde gronden. Deze betroffen de stelling dat door de (bezwaarverzekeringsarts) ten onrechte geen informatie is opgevraagd bij de behandelende artsen en voorts dat de beperkingen van appellante zijn onderschat door de (bezwaar)verzekeringsarts. In eerste aanleg heeft zij ter onderbouwing van de gronden informatie ingediend van haar behandelende sociaal psychiatrisch verpleegkundige H. Tigchelaar en van haar fysiotherapeut P.M. Andringa. In hoger beroep heeft appellante geen andere gronden ingediend. Evenmin heeft appellante deze gronden anders onderbouwd dan zij in bezwaar en beroep heeft gedaan.

De rechtbank heeft de bij haar ingediende beroepsgronden op juiste wijze in de aangevallen uitspraak weergegeven. De rechtbank heeft deze gronden beoordeeld en aangegeven waarom deze gronden niet slagen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank dit met juistheid gedaan. De Raad stelt zich dan ook volledig achter de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, aanleiding tot benoeming van een onafhankelijk deskundige.

Het hoger beroep treft mitsdien geen doel.

Waarvan proces-verbaal.

(get.) J.P.M. Zeijen

(get.) H.L. Schoor

IvR