Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1737

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11-643 AW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling. De door appellante tegen het bestreden besluit en de beoordeling aangevoerde gronden van formele aard treffen geen doel. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven vanwege een ondeugdelijke motivering. Verwijzingen naar het eerdere functioneren en naar een ontwikkeling die haar begin heeft in de tijd die voorafgaat aan beoordeling 2, behoren niet te worden vermeld in deze beoordeling. Het college krijgt de opdracht het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/119

Uitspraak

11/643 AW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (België), (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2010, 10/44 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van Weert (college)

Datum uitspraak: 29 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2012. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat, en door T. van Tilburg en drs. M.J.M. Meertens.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is sedert 1 juli 2004 werkzaam als projectleider bij de sector [naam sector]. Over haar functioneren in de periode 1 september 2006 tot 1 september 2007 is een beoordeling vastgesteld (beoordeling 1) die na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 2 september 2008. Hangende het tegen dat besluit ingestelde beroep is op 30 oktober 2008 een volgende, over de periode 11 februari 2008 tot 1 oktober 2008 opgemaakte, beoordeling (beoordeling 2) met appellante besproken.

1.2. Voordat beoordeling 2, bij besluit van 22 juli 2009, met enkele aanpassingen werd vastgesteld, heeft het college (de bij besluit van 2 september 2008 gehandhaafde) beoordeling 1 ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van (9 lees:) 2 september 2008 niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraak van 15 september 2009. Appellante heeft tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.3. Het college heeft het tegen beoordeling 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 8 december 2009 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1. De door appellante tegen het bestreden besluit en beoordeling 2 aangevoerde gronden van formele aard, in het bijzonder betreffende de schending van procedurele bepalingen uit het Beoordelingsreglement gemeentepersoneel Weert (Beoordelingsreglement), treffen geen doel. Daarvoor is van belang dat door het intrekken van beoordeling 1 een bijzondere situatie met betrekking tot het opmaken en vaststellen van beoordeling 2 is ontstaan. Een redelijke uitleg van een bepaling als artikel 3, derde lid, onder a, van het Beoordelingsreglement, waarin is bepaald dat een beoordeling - op aanvraag van een directeur - niet wordt opgemaakt vooraleer een functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, leidt tot de conclusie dat aan dat voorschrift hier, nu met appellante gesprekken hebben plaatsgevonden, naar de strekking is voldaan. Verder is appellante door schending van in het Beoordelingsreglement gestelde termijnen niet geschaad.

3.2. Appellante heeft terecht gronden aangevoerd tegen de inhoud van (de gehandhaafde) beoordeling 2. Dat betreft in het bijzonder de weergave van oordelen waarbij een relatie wordt gelegd met het functioneren in de voorafgaande periode. De intrekking van beoordeling 1 impliceert dat in de volgende beoordeling geen verband wordt gelegd met oordelen over het eerdere functioneren, nu het met deze intrekking de bedoeling was beoordeling 1 volledig te niet te doen. Verder is van belang dat in artikel 2 van het Beoordelingsreglement is bepaald: De beoordeling van een ambtenaar betreft de wijze waarop deze zijn functie gedurende het beoordelingstijdvak heeft vervuld, met inbegrip van zijn gedragingen in dat tijdvak tijdens het uitoefenen van zijn functie. Reeds gelet hierop is de overweging van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat bij een beoordeling altijd een vergelijking wordt gemaakt met het functioneren in de daaraan voorafgaande periode, onjuist.

Het college wordt gevolgd in zijn opvatting dat het - ook in de bijzondere omstandigheiden van dit geval - niet verboden is in de beoordeling te spreken over een ontwikkeling in het functioneren van appellante, voor zover dat betrekking heeft op het functioneren van appellante gedurende het beoordelingstijdvak. Maar behoedzaamheid is geboden omdat al snel een verband kan worden gelegd met, en in zekere zin wordt teruggegrepen op de periode die aan de beoordelingsperiode is voorafgegaan. Dat verband is uiteraard niet aanwezig bij de neutraal geformuleerde weergave van een positieve kwalificatie als “zij werkt voldoende onafhankelijk”.

4. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven vanwege een ondeugdelijke motivering. Verwijzingen naar het eerdere functioneren en naar een ontwikkeling die haar begin heeft in de tijd die voorafgaat aan beoordeling 2, behoren niet te worden vermeld in deze beoordeling. Daarom zijn - zo wordt hier bij wijze van voorbeeld opgemerkt - inleidende opmerkingen over het doel van de beoordeling niet passend. Niet juist is dat gesproken wordt over problemen “die eerder aan de orde zijn gesteld”; evenmin, dat appellante zich “de afgelopen periode” goed hervonden heeft, dat zij “op dit moment” werkvreugde uitstraalt, dat er sprake is van “de coachingstrajecten”, en dat appellante “inmiddels” of “op dit moment” iets goed oppakt of ergens blijk van geeft.

5. Er is aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen het voormelde motiveringsgebrek te herstellen. Het college zal, indien het niet alsnog ingaat op het verzoek van appellante om beoordeling 2 in te trekken, een nieuw beoordelingsformulier moeten vaststellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het college op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2012.

H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R. Schuurman.

HD