Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1711

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
10-4472 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om premierestitutie. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Raad ziet geen enkele reden om tot een ander oordeel te komen dan weergegeven in LJN BO7432, LJN BO7444 en LJN BO7446. Van bekendheid met de bezwaartermijn kan als regel worden uitgegaan indien de belanghebbende, zoals in dit geval, voor afloop van de termijn reeds werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. Geen overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4472 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van Bestuur van de Politieacademie, gevestigd te Apeldoorn (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 augustus 2010, 09/935 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 6 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.D. Schouten, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs LLP, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2012. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Schouten. Het Uwv was vertegenwoordigd door R. Tjon. De zaak is gevoegd behandeld met de gedingen 10/4355 CSV en 10/4907 CSV ten name van de Politie Brabant Zuidoost en de Politie Noord-Holland Noord. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en is in deze zaken heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.

1.2. Namens appellant is bij brief van 31 december 2008 verzocht om restitutie van onverschuldigd betaalde premies werknemersverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004. Over deze periode zijn naar het oordeel van appellant - waarbij wordt verwezen naar het gewijzigde standpunt van de Belastingdienst dienaangaande - ten onrechte premies werknemersverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Tijdelijke Ouderenregeling (TOR) afgedragen. Het Uwv heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om herziening van de over de jaren 2002 tot en met 2004 vastgestelde premienota’s. Om met succes een beroep te kunnen doen op herziening van een eerder ingenomen standpunt moet sprake zijn van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Omdat naar zijn oordeel van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken, heeft het Uwv bij besluit van 19 januari 2009 dit verzoek afgewezen.

1.3. Bij besluit van 12 mei 2009, het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen het besluit van 19 januari 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv herhaald dat voor herziening slechts ruimte bestaat indien sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het door appellant aangevoerde, inhoudende dat een TOR-uitkering aangemerkt dient te worden als loon uit vroegere dienstbetrekking, merkt het Uwv niet aan als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid. Evenmin worden als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangemerkt een namens appellant naar voren gebracht arrest van de Hoge Raad van 17 april 2009 (LJN BI1265) alsmede een tweetal uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 april 2006 (LJN BA9676 en LJN AY4276), omdat in gewijzigde jurisprudentie op zichzelf geen verplichting is gelegen om op een rechtens onaantastbaar geworden besluit terug te komen. Tot slot is aangegeven dat op juiste gronden het verzoek om premierestitutie is aangemerkt als een herzieningsverzoek op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en niet als een verzoek op grond van artikel 11, vierde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).

2. De rechtbank heeft overwogen dat naar vaste rechtspraak van de Raad een verzoek om premierestitutie dient te worden aangemerkt als een verzoek om een besluit tot premievaststelling als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de CSV. Nu het besluit op een ondeugdelijke motivering berust, heeft de rechtbank bij aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven aangezien ook bij een verzoek om premierestitutie als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de CSV nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden dienen te worden gesteld. Hiervan is niet gebleken. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep op strijdigheid van het bestreden besluit met het Europees sociaal zekerheidsrecht wegens onvoldoende onderbouwing afgewezen.

3. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen dienaangaande over en weer hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Zoals ter zitting ter sprake is gekomen, heeft de Raad op 9 december 2010 een drietal uitspraken gewezen inzake dezelfde problematiek en geschilpunten als thans aan de orde. De Raad verwijst naar zijn uitspraken gepubliceerd in LJN BO7432, LJN BO7444 en LJN BO7446. Vastgesteld is dat mr. Schouten ook in die zaken optrad als gemachtigde.

4.2. De Raad constateert vervolgens dat in het hoger beroepschrift van 10 augustus 2010, geen andere inhoudelijke gronden zijn aangevoerd dan die waarover de Raad zich reeds heeft uitgesproken in zijn uitspraken van 9 december 2010. Ook in een later stadium zijn geen aanvullende gronden ingediend. De Raad ziet reeds hierom geen enkele reden om tot een ander oordeel te komen dan weergegeven in eerder genoemde uitspraken.

4.3. In aansluiting op hetgeen de Raad in zijn uitspraken van 9 december 2010 met betrekking tot het ontbreken van een bezwaarclausule onder een primair besluit heeft overwogen, voegt hij hier nog het volgende aan toe. Indien de - overigens niet onaannemelijke - stelling van het Uwv, dat de bezwaarclausule vermeld staat op de achterkant van de premienota, niet gevolgd kan worden, is de Raad, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 september 2011, LJN BT2131, van oordeel dat het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit in beginsel leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. Dit beginsel lijdt uitzondering indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat belanghebbende tijdig wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. Van bekendheid met de termijn kan als regel worden uitgegaan indien de belanghebbende, zoals in dit geval, voor afloop van de termijn reeds werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. Deze grond slaagt dan ook niet.

4.4. Voorts constateert de Raad dat appellant heeft gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het Europese communautaire recht en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Mede onder verwijzing naar zijn uitspraken van 9 december 2010, gaat de Raad hier aan voorbij aangezien ook thans, op geen enkele wijze is uitgewerkt, waarom het bestreden besluit in strijd zou komen met dat recht.

4.5. Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5.1.1. Ten aanzien van het verzoek namens appellant om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 6 van het EVRM wijst de Raad op zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Uit deze uitspraak blijkt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze, in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

5.1.2. Nu een datum ontvangststempel op het bezwaarschrift van (vrijdag) 27 februari 2009 ontbreekt, gaat de Raad uit van een ontvangst op maandag 2 maart 2009. De Raad doet ruimschoots binnen vier jaar daarna uitspraak zodat dit betekent dat, zo ook ter zitting door de Raad aan de gemachtigde van appellant is voorgehouden en anders dan appellant stelt, de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM nog lang niet is verstreken.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en

J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.R. Baas.

TM