Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
10-3631 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekorting loonsanctieperiode. Niet is gebleken dat appellante eerder dan bij brief van 17 maart 2009 een melding heeft gedaan waarbij zij aangeeft dat zij van mening is dat zij haar tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft hersteld. Het Uwv heeft binnen drie weken na de melding van appellante het besluit tot bekorting van de loonsanctie afgegeven. Gelet op de wettelijke bepalingen eindigt de loonsanctie niet eerder dan zes weken na dit besluit. Het Uwv heeft op juiste wijze toepassing gegeven aan die wettelijke bepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3631 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 mei 2010, 09/4718 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 11 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2012.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 april 2008 heeft het Uwv het tijdvak van 104 weken, waarin [naam werknemer] (werknemer) jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte, met 52 weken verlengd tot 5 juni 2009. De verlenging (loonsanctie) is opgelegd op de grond dat zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Het Uwv heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in verbinding met artikel 65 van die wet. Bij uitspraak van 12 mei 2010 (09/3684) heeft de Raad deze loonsanctie gehandhaafd.

1.2. Bij brief van 17 maart 2009 heeft appellante verzocht om de opgelegde loonsanctie te bekorten. Bij besluit van 1 april 2009 heeft het Uwv de loonsanctieperiode bekort tot 13 mei 2009 omdat appellante de tekortkoming in de re-integratieverplichting heeft hersteld. Het tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich gelet op de Beleidsregels vorm- en herkenbaarheidsvereisten re-integratieverslagen (Beleidsregels) op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beëindiging van spoor 2 vergezeld diende te gaan van de eindrapportage spoor 2. Appellante heeft niet voor 17 maart 2009 voldaan aan het vereiste, neergelegd in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in samenhang met artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beleidsregels dat een eindevaluatie als onderdeel van een re-integratieverslag wordt overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank was er dan ook geen grond voor de stelling van appellante dat de loondoorbetalingsverplichting eerder dan 13 mei 2009 opgeheven diende te worden.

3. In hoger beroep herhaalt appellante haar stelling dat de loonsanctie reeds voor de datum van 17 maart 2009 beëindigd moet worden. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beleidsregels van toepassing geacht. Volgens appellante behelst de wet geen formele vereisten voor de opheffing van de loonsanctie en zijn de Beleidsregels daarom onverbindend te achten. Het criterium voor opheffing van de loonsanctie is of de tekortkoming is hersteld.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen in hoger beroep is in geschil de vraag of het Uwv terecht de loonsanctie niet eerder dan met ingang van 13 mei 2009 heeft bekort.

4.3. Ingevolge artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA meldt de werkgever, indien hij van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft hersteld, dit aan het Uwv, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.

4.4. Ingevolge artikel 25, dertiende lid, van de Wet WIA geeft het Uwv de beschikking waarin wordt vastgesteld of de tekortkoming is hersteld binnen drie weken na de ontvangst van de melding, bedoeld in het twaalfde lid.

4.5. Ingevolge artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA eindigt het tijdvak, bedoeld in het negende lid, zes weken nadat het Uwv heeft vastgesteld dat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft hersteld, maar niet later dan na 52 weken. Indien het Uwv de beschikking waarin wordt vastgesteld dat een tekortkoming is hersteld te laat afgeeft, eindigt het tijdvak zoveel eerder als de beschikking later is afgegeven.

4.6. De Raad is niet gebleken dat appellante eerder dan bij brief van 17 maart 2009 een melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA. Het Uwv heeft op 1 april 2009 - dus binnen drie weken na de melding van appellante - het besluit tot bekorting van de loonsanctie afgegeven. Gelet op de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen eindigt de loonsanctie niet eerder dan zes weken na dit besluit, derhalve op 13 mei 2009. Door bij het bestreden besluit de loonsanctie met ingang van 13 mei 2009 te bekorten heeft het Uwv dan ook op juiste wijze toepassing gegeven aan die wettelijke bepalingen.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) H.L. Schoor.

GdJ