Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
10-6 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Het Uwv heeft op basis van de beschikbare gegevens terecht geconcludeerd dat appellante als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht. De verantwoordelijkheid voor de re-integratie is bij appellante gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. De loonsanctie heeft een reparatoir karakter en er is geen aanleiding die sanctie aan te merken als een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 december 2009, 09/547 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Aan dit geding heeft tevens als partij deelgenomen [naam werkneemster], wonende te [woonplaats] (werkneemster).

Datum uitspraak: 11 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens werkneemster heeft mr. A.H.M. van den Broek, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2012. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer. Werkneemster en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 15 januari 2009 heeft het Uwv het tijdvak waarin werkneemster jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 1 januari 2010. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van die wet.

1.2. Appellante heeft tegen het besluit van 15 januari 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 april 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen van 8 april 2009 en van bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjens van 16 april 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van een bevredigend resultaat, omdat vaststaat dat het in de periode die ter beoordeling staat niet is gekomen tot werkhervatting van werkneemster. Ter beantwoording van de vraag of appellante voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, heeft de rechtbank overwogen dat zij met het Uwv geen reden ziet om te oordelen dat vanwege het door de bedrijfsarts uitgebrachte advies aan appellante niet kan worden tegengeworpen dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en wel in het bijzonder met betrekking tot het tweede spoor. Ook gezien de bevindingen in het kader van het door appellante gevraagde deskundigenoordeel had volgens de rechtbank mogen worden verwacht dat appellante met betrekking tot de haar opgelegde re-integratieverplichtingen een andere koers was gaan varen, in die zin dat zij inspanningen had verricht ten einde te bewerkstelligen dat werkneemster zou re-integreren bij een andere werkgever. Zulks is volgens de rechtbank ten onrechte achterwege gelaten. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat het Uwv op basis van een toereikende grondslag tot de conclusie is gekomen dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij mocht afgaan op het standpunt van haar arbodienst en dat het feit dat de arbodienst en het Uwv van mening verschillen over de restmogelijkheden van werkneemster niet betekent dat dit een voldoende reden is om een loonsanctie op te leggen. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat zij in dit geval haar aanpak niet heeft kunnen bijstellen. De loonsanctie kan dan niet wordt gezien als een herstelsanctie en een middel om de inzet van re-integratie-instrumenten bij te sturen, maar als een punitieve sanctie die niet voldoet aan artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.2. In het verweerschrift heeft het Uwv zich, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, op het standpunt gesteld dat de werkgever steeds verantwoordelijk is voor het handelen en nalaten van de arbodienst, ook als de werkgever geen reden heeft om te twijfelen aan het oordeel van die dienst. Ook overigens geven de door appellante aangevoerde gronden bij het Uwv geen reden tot twijfel aan de juistheid van de beslissing. Verzocht wordt om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

3.3. Werkneemster stelt zich, onder verwijzing naar het deskundigenoordeel van 13 november 2008, op het standpunt dat appellante niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en verzoekt de aangevallen uitspraak in stand te laten.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.2. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de arbeidsdeskundige van 11 december 2008, van de bezwaarverzekeringsarts van 8 april 2009 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 april 2009. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van appellante niet voldoende worden geacht, omdat geen sprake was van terugkeer bij de eigen werkgever en er actie zou moeten zijn geweest richting het tweede spoor. Omdat de eerstejaarsevaluatie geen concrete aanwijzingen biedt gericht naar re-integratie had er op dat moment minimaal een tweesporenbeleid moeten worden gevolgd. Er worden hierin mogelijkheden gezien voor werkneemster, die door appellante niet adequaat zijn onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat door de bedrijfsarts nergens wordt aangegeven dat sprake zou zijn van een doorlopende ziektesituatie zonder benutbare mogelijkheden, met name buiten het eigen bedrijf. Dat sprake zou zijn van geen benutbare mogelijkheden kan ook niet worden afgeleid uit de beschikbare medische gegevens. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage geconcludeerd dat appellante zich niet kan verschuilen achter de inadequate oordelen van de door haar ingeschakelde deskundigen en dat het tweede spoor gestart moet worden zodra de noodzaak zich voordoet, maar uiterlijk bij de eerstejaarsevaluatie als de re-integratie in het eigen bedrijf dan nog geen resultaten heeft opgeleverd. Nu dit niet is gebeurd zijn er re-integratiekansen gemist en heeft appellante geen deugdelijke grond voor dit verzuim.

4.3. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Na de uitval van werkneemster op 2 februari 2007 vanuit haar werk als loonadministrateur gedurende 24 uur per week zijn de re-integratie-inspanningen van appellante steeds gericht op (geleidelijke) werkhervatting in de eigen functie of in aangepast werk bij appellante. Gebleken is dat dit geen bevredigend resultaat opleverde en dat bij de eerstejaarsevaluatie in januari 2008, het zogenoemde ‘opschudmoment’, het tweede spoor ingezet had moeten worden. Naar aanleiding van het verzoek van appellante om een deskundigenoordeel heeft de verzekeringsarts na spreekuuronderzoek op 23 oktober 2008 geconcludeerd dat er geen sprake was van een situatie zonder benutbare mogelijkheden, maar dat werkneemster tot 5 september 2008 wel beperkt belastbaar was in psychische zin en vanaf die datum toenemend beperkt was als gevolg van het ondergaan van een operatieve ingreep. In dat kader heeft de arbeidsdeskundige vervolgens op 13 november 2008 geconcludeerd dat werkneemster vanaf begin september 2008 arbeidsongeschikt is te achten voor het eigen werk of aangepast werk bij appellante, maar dat er - nu al langer duidelijk was dat terugkeer naar de eigen werkgever geen reële optie was - vanaf de eerstejaarsevaluatie ingezet had moeten worden op het tweede spoor en dat de daarop betrekking hebbende mogelijkheden door appellante ten onrechte niet zijn onderzocht. Mede gelet op dit deskundigenoordeel is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht nu het voor appellante in ieder geval vanaf januari 2008, duidelijk was wat de beperkingen waren voor werkneemster. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, kan daarvoor geen deugdelijke grond worden gezien.

4.4. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante is gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.5. Ten aanzien van de door appellante aangevoerde grond dat de loonsanctie niet als een herstelsanctie maar als een punitieve sanctie dient te worden gezien, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3717, waarin hij heeft geoordeeld dat de loonsanctie een reparatoir karakter heeft en dat er geen aanleiding is die sanctie aan te merken als een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het EVRM. De Raad ziet geen aanleiding om daarover in dit geval anders te oordelen.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) H.L. Schoor.

JL