Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
11-6253 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag. Voor het benoemen van een deskundige is geen aanleiding. Appellante is terecht in staat is geacht de geselecteerde functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6253 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 september 2011, 10/1917 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 11 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Leest.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft vanaf 2005 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Op 11 maart 2009 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts. In opdracht van het Uwv heeft revalidatiearts Blanken een expertise verricht. Deze heeft geconcludeerd dat sprake is van een chronisch aspecifiek pijnsyndroom. Dit uit zich in fibromyalgie, vermoeidheid en vermoeibaarheid met klachten passend bij een prikkelbaar darmsyndroom (IBS). Rekening moet worden gehouden met enige pijnklachten in de onderrug, atralgieën en myalgiën. Appellante is minder geschikt voor zwaar fysiek belastende arbeid. Voor het overige zijn geen (lichamelijke) beperkingen te duiden. Geen sprake is van een ziekte met energetische tekorten of een reumatologische aandoening met inflammatoir bloedbeeld. Mede op basis van deze expertise heeft de verzekeringsarts de beperkingen van appellante weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Daarbij is rekening gehouden met verminderde belastbaarheid van de rug en de linkerknie en zwaardere omstandigheden in algemene zin. Appellante is in staat geacht ongeveer 40 uur per week te werken. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd tot het verrichten waarvan hij appellante in staat acht en het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 0%. Bij besluit van 15 december 2009 heeft het Uwv de uitkering per 12 februari 2010 ingetrokken. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt en heeft daarbij informatie overgelegd van behandeld reumatoloog Schardijn.

1.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante onderzocht. Vastgesteld is dat appellante een normaal dagverhaal heeft. Een urenbeperking (voor minder dan 40 uur per week) is niet te rechtvaardigen op preventieve, energetische of beschikbaarheidsgronden. Geconcludeerd is dat de belastbaarheid in de FML juist is weergegeven. De bezwaararbeidsdeskundige heeft appellante geschikt geacht voor de geselecteerde functies. Bij besluit van 6 mei 2010 is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Het daartegen gerichte beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellante heeft overschat. Voor het benoemen van een deskundige ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank is appellante niet gevolgd in haar betoog dat het BVA-rapport onjuist is ten aanzien van het dagverhaal. Overwogen is dat de vermelde activiteiten door appellante zelf zijn genoemd en dat appellante veel steun krijgt van haar partner. Appellante heeft geen concrete medische gegevens ingebracht die tot twijfel leiden aan de conclusie van de BVA. Naar het oordeel van de rechtbank is een urenbeperking niet aan de orde, aangezien niet is gebleken dat met het achterwege blijven van een urenbeperking onvoldoende aan de voor appellante geldende beperkingen kan worden tegemoetgekomen. De door appellante ervaren klachten kunnen niet op geobjectiveerde wijze worden vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te oordelen dat de bezwaararbeidsdeskundige appellante ten onrechte geschikt heeft geacht voor de geselecteerde functies. Volgens de rechtbank is toereikend gemotiveerd dat deze functies de belastbaarheid niet overschrijden.

3. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat haar beperkingen zijn onderschat. Appellante is niet in staat hele dagen werkzaamheden verrichten. Zij verzoekt de Raad een deskundige reumatoloog of revalidatiearts te benoemen. Appellante heeft voorts gesteld dat de geselecteerde functies niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad ziet geen aanleiding tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Voorts overweegt de Raad het volgende.

4.2. De conclusies van de bezwaarverzekeringsarts zijn gebaseerd op de eigen onderzoeksbevindingen, de expertise van de revalidatiearts Blanken en de verdere aanwezige medische informatie, waaronder de door appellante overgelegde informatie van 1 april 2010 van de behandelend reumatoloog. De reumatoloog heeft daarin verklaard dat de grootste belemmeringen bij appellante worden veroorzaakt door stoornissen in het energetische veld. Appellante heeft brieven van 8 juni 2010 en 10 februari 2012 van de behandelend reumatoloog overgelegd, waarin deze nogmaals heeft aangegeven dat appellante wordt belemmerd door stoornissen in het energetische veld. De bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie daarop uiteengezet dat in ruime mate is tegemoetgekomen aan de fysiek-energetische beperkingen van appellante. De Raad ziet

- mede gelet op deze reactie - in de informatie van de reumatoloog geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de FML. De stelling van appellante dat Blanken zich in zijn expertise slechts richt op de diagnose fibromyalgiesyndroom terwijl de reumatoloog de diagnose Bechterev heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel.

Allereerst heeft Blanken de (mogelijke) diagnose Bechterev wel meegewogen in zijn onderzoek en vermeld in rapport. Daarbij heeft Blanken zich mede gebaseerd op informatie van 12 mei 2009 van reumatologe Schenk, die onder meer de diagnose fibromyalgiesyndroom stelt. Maar daarnaast heeft te gelden dat bij het vaststellen van de beperkingen de diagnose niet doorslaggevend is.

4.3. Appellante heeft voorts algemene informatie over haar aandoening en een brief van de behandelend fysio-/manueeltherapeut overgelegd. De fysio-/manueeltherapeut verklaart dat de behandeling, die erop is gericht de belastbaarheid te verbeteren, geen resultaat heeft opgeleverd. Naar het oordeel van de Raad kan uit deze informatie - die niet op één lijn kan worden gesteld met de bevindingen van een arts - niet worden afgeleid dat de (bezwaar)verzekeringsarts de beperkingen van appellante per de datum in geding heeft onderschat.

4.4. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag. Voor het benoemen van een deskundige ziet de Raad geen aanleiding.

4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante terecht in staat is geacht de geselecteerde functies te verrichten. De geschiktheid van appellante voor de functies is door de (bezwaar)arbeidsdeskundigen voldoende toegelicht. Niet gebleken is dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende,

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) K.E. Haan.

GdJ