Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
10-5510 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering Wet WIA-uitkering. De door de Raad ingeschakelde deskundige heeft in zijn rapportage geconcludeerd dat hij zich niet kan verenigen met de door het Uwv en de door de rechtbank ingeschakelde deskundige vastgestelde belastbaarheid van betrokkene. Er is geen aanleiding om met betrekking tot het oordeel van de deskundige af te wijken van het uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Evenals de rechtbank heeft geconcludeerd is het bestreden besluit niet gebaseerd op een juiste medische grondslag. Dit leidt tevens tot de conclusie dat ook met betrekking tot de arbeidskundige grondslag sprake is van gebreken. Het bestreden besluit is derhalve terecht door de rechtbank vernietigd. Het Uwv krijgt de opdracht de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5510 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 september 2010, 09/3680 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft D.K. Bos, werkzaam bij Administratiekantoor DekaBos te Waal, een verweerschrift ingediend.

De door de Raad als deskundige benoemde psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars heeft op 24 oktober 2011 gerapporteerd. Appellant heeft zijn zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden door middel van een rapport van 1 november 2011 van de bezwaarverzekeringsarts. Bij brief van 3 december 2011 heeft de deskundige gereageerd op de zienswijze van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. Betrokkene is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 28 april 2009 (bestreden besluit) heeft appellant, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 25 september 2008 inhoudende dat betrokkene geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen met ingang van 21 augustus 2008, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

2.2. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de bevindingen en de conclusies van de door haar geraadpleegde deskundige W.M. van der Boog, verzekeringsarts. De deskundige kon zich niet verenigen met de voor betrokkene vastgestelde beperkingen, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 september 2008. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd ten aanzien van de medische onderbouwing. Daardoor staat ook niet vast dat de geduide functies door betrokkene verricht kunnen worden, zodat de arbeidskundige beoordeling voorshands ook geen stand kan houden. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar dient appellant tevens een beslissing te nemen over de vergoeding van de proceskosten van betrokkene in bezwaar.

3.1. Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat de beperkingen van betrokkene op en na 21 augustus 2008 op adequate wijze zijn verwoord in de FML van 10 september 2008.

3.2. Betrokkene heeft - kort gezegd - haar standpunt gehandhaafd dat haar belastbaarheid door appellant niet juist is vastgesteld. Zij heeft verder het bij de rechtbank gedane verzoek om vergoeding van de door haar geleden materiële en immateriële schade herhaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Wat betreft de medische beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 21 augustus 2008 stelt de Raad voorop dat in zijn vaste rechtspraak het uitgangspunt besloten ligt dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Dit kan onder meer anders zijn als zich de bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij geraadpleegde deskundige moet worden afgeleid dat de door de rechter ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

22 oktober 2002, LJN AF4022).

4.2. De Raad heeft aanleiding gezien zich omtrent de gezondheidstoestand van betrokkene en haar arbeidsbeperkingen te laten voorlichten door de in rubriek I genoemde deskundige Trompenaars. Trompenaars heeft samen met dr. L.E.E. Ligthart, klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog, onderzoek gedaan naar de belastbaarheid van betrokkene. Van dit onderzoek is op 24 oktober 2011 rapport opgemaakt. Trompenaars heeft daarin geconcludeerd dat hij zich niet kan verenigen met de door het Uwv en Van der Boog vastgestelde belastbaarheid van betrokkene. Trompenaars heeft verder geconcludeerd dat uit het onderzoek met name naar voren komt, dat de psychiatrische problematiek van betrokkene veel ernstiger en veel ingrijpender is dan door de vroegere behandelaars van betrokkene, door de (bezwaar)verzekeringsarts en door Van der Boog is ingeschat. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de aard en de ernst van de bij betrokkene aanwezige depressieve stoornis, de persoonlijkheidsproblematiek en de daaruit voortkomende kwetsbaarheid om psychotisch ontregeld te kunnen raken bij oplopende spanningen. Het verbaast Trompenaars daarom ook niet om te moeten constateren, dat de tot nu toe ingestelde behandelingen nooit adequaat geweest zijn en dat de klachten van betrokkene eerder toe- dan afgenomen zijn. Trompenaars heeft aangegeven op welke onderdelen en in welke mate de FML van 10 september 2008 moet worden bijgesteld. Naar zijn oordeel kon betrokkene op de datum in geding niet in staat worden geacht tot het verrichten van de werkzaamheden, verbonden aan de geduide functies. Naar aanleiding van het rapport van 1 november 2011 van de bezwaarverzekeringsarts heeft Trompenaars uitvoerig uiteengezet dat hij het rapport van 24 oktober 2011 en de daarin verwoorde standpunten onverkort handhaaft.

4.3. De Raad is van oordeel dat de deskundige Trompenaars, die de beschikking heeft gehad over alle in geding zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld, daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan en overtuigend zijn conclusies heeft gemotiveerd. De Raad stelt voorts vast dat de deskundige na kennisneming van de hem voorgelegde zienswijze van het Uwv zijn standpunt serieus heeft heroverwogen en onderbouwd heeft gehandhaafd. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gevonden om met betrekking tot het oordeel van de deskundige af te wijken van het uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de Raad concludeert, evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een juiste medische grondslag. Dit leidt tevens tot de conclusie dat ook met betrekking tot de arbeidskundige grondslag sprake is van gebreken. Het bestreden besluit is derhalve terecht door de rechtbank vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.5. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand blijven en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Omdat appellant zich nog niet heeft uitgelaten over de gevolgen die het onder 4.2 en 4.3 gegeven oordeel van de Raad heeft voor het bestreden besluit, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet appellant op te dragen de in 4.4 aangeduide gebreken in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit te nemen. Appellant dient daartoe de FML van 10 september 2008 te wijzigen in overeenstemming met de bevindingen en conclusies van de deskundige Trompenaars en op basis van de aldus aangepaste FML, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage, het bestreden besluit nader te onderbouwen dan wel een nader besluit te nemen. Indien appellant een nader besluit neemt, dient hij tevens te beslissen op het verzoek van betrokkene om vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) H.L. Schoor.

GdJ